Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^VERGADERING

van de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Vrijdag 5 April 1918, 's namiddags om IJ uur, in het gebouw der Pensioenraden.

Afwezig- met kennisgeving de keer Elenbaas.

Tot het mondeling toelichten van zijne schriftelijke wenschen inzake het pensioen Wezen, is uitgenoodigd de Bond van Nederlandsche Onderwijzers, welke bond vertegenwoordigd wordt door de heeren F. L. Ossendobp en A. Hart.

De heer Ossendobp deelt mede, dat zijn bond allereerst aandringt op het premievrij 'pensioen, bij zal hierover kort zijn, omdat dit punt ongetwijfeld ook door andere organisaties naar voren is gebracht. De Bond heeft tot vaststelling van z'n standpunt, dat van de Regeering en van den ambtenaar overwogen. De opvatting dat het pensioen feitelijk eene verzekering is, kan niet Worden gedeeld. Spreker redeneert aldus: De ambtenaar geeft- zich geheel, met al z'n werkkracht aan z'n ambt, wanneer dus z'n arbeidskracht versleten is, moet de Regeering verder de onderhoudskosten dragen; eene premiebetaling is bij deze overweging uitgesloten. Spieker meent, dat ook in Nederland reeds ambtenaren zijn, die voor hun pensioen geen premie betalen, zeker weet tij' dat dit het geval is in Pruisen, België en in de kantons Bazel en Zürich, hij wijst er voorts op, dat dit een wensch is, die door groote groepen ambtenaren wordt gedeeld.

De Voorzitter, de heer von Weileb wil er op wijzen, dat hij met de opvatting van onderhoudsplicht van den Staat niet accoord gaat, veeleer betaalt de Staat loon voor gepresteerden arbeid, bovendien zal vrijstelling van premiebetaling neerkomen op eene bedekte tractementsverhooging; de tracteïnenten der ambtenaren zijn, gebaseerd op die pensioensbijdrage.

Nadat de heer Ossendobp er vervolgens op heeft gewezen, dat ook een jurist als Mr. Levy zijne opinie deelt, bepleit spreker ook een premievrij weduwenpensioen, hetwelk hij wederom verdedigt met een beroep op den onderhoudsplicht van den Staat.

De heer Habt wijst er op, dat de opinie van den Bond, m. a. w. de rechtsgrond van het premievrij pensioen ook door vele gemeentebesturen is aanvaard, aangezien in betreffende verordeningen de gemeentebesturen veelal de betalingen voor hunne rekening nemen.

In de tweede plaats bepleit de heer Ossendobp de wenschelijkheid om aan de onderwijzers op 55-jarigen leeftijd recht op pensioen toe te kennen. Spreker denkt daarbij voornamelijk aan de belangen van het onderwijs zelf. De taak van den onderwijzer kan z. i. niet geheel met die van andeie ambtenaren worden vergeleken. Aan den dagelijkschen omgang met jonge kinderen, aan den zorg mede voor hun opvoeding worden speciale eischen gesteld. De kinderen vragen van de onderwijzers voortdurende opgewektheid Br voorkeur wordt dan ook, en terecht, het onderwijs in Ie laagste klassen aan onderwijzeressen opgedragen, die veelal jonger zijn en die als vrouw, de kinderen nader staan bpreker begrijpt dat een leeftijdsgrens moet worden gesteldaanvankelijk heeft zijne organisatie er toe overgeheld om den wensch van op 50-jarigen leeftijd pensioengerechtigdheid naar voren te brengen, doch die sprong is wat te groot geacht Het zijn inderdaad uitzonderingen, dat onderwijzers boven öo jaar nog met lust hun werkkring vervullen. Spreker's

Sluiten