Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

debatten, wijst op het amendement Van der Kaay. Spreker hoopt, dat bij de a.s. herziening" der wet aan de bestaande onbillijke regeling een einde zal worden gemaakt.. Ambitie en lust voor het beroep is voor den leeraar een allereerste vereischte, ook en vooral met het oog op de belangen der jeugd.

De Voorzitter, de heer von Weiler, zegt, niet over deze quaestie in debat te willen treden, doch alleen er op te willen wijzen, dat. hij een: ander standpunt inneemt. Het beroep op de gestorte bijdragen gaat naar zijne meening niet op, omdat die bijdragen in verhouding tot de geheele pensioenskosten zóó gering zij n; het betalen der premie is ook niet zoozeer iets individueels, het is een soort van dwang, die op het geheele corps ambtenaren rust, een soort van solidariteit.

Voorts vraagt spreker of de beer Snijders als gevolg van eventueele wijziging der wet, als door hem bedoeld, geen misbruiken vreest.

De heer Snijders antwoordt deze niet te vreezen; bovendien valt voor het door hem gevraagde in allerlei opzichten veel goeds te zeggen. Spreker ziet eerder misbruik in het feit, dat thans leeraren voor de klasse moeten staan, die er geenerlei roeping meer voor gevoelen.

De heer Snoeck Henkemans betwijfelt of de meeste menschen wel over zooveel zelfkennis zullen beschikken om zich zelve — zonder bijoogmerken althans — ongeschikt voor hunne betrekking te achten. Spreker gelooft, dat men meestal z'n betrekking wil verlaten, omdat men meent iets beters te zullen kunnen verkrijgen. De meeste leeraren zijn natuurlijk wetenschappelijk ontwikkeld, ze worden meestal niet con amore leeraar, doch meer noodgedwongen, omdat ze als zuiver wetenschappelijk mensch financieel niet kunnen bestaan.

In de tweede plaats wijst de heer Snijders er op, dat vele leeraren eerst laat in dienst treden op hoogeren leeftijd dan de meeste andere ambtenaren, behalve dan de leeraren, die hun loopbaan bij het lager onderwijs zijn begonnen. De voorbereiding voor hun ambt neemt verscheidene jaren in beslag, waarin andere categorieën van ambtenaren reeds in subalterne betrekkingen werkzaam zijn.

De speciale eischen aan den leeraar gesteld maken, menigeen ook eerder geestelijk ongeschikt voor zijn'ambt, dan dit met andere ambtenaren het geval is: ook physiek, door achteruitgang van gezicht of gehoor, kan hij' spoediger minder geschikt worden voor de vervulling van zijn taak dan andere ambtenaren, zonder dat hij nog in de termen valt om geneeskundig te worden afgekeurd.

Ter wille van het „halen" van de 40 dienstjaren, dus van volledig pensioen, zal hij zoo lang mogelijk trachten te blijven „meeloopen" ; zoolang het er eenigszins mee door kan, zullen de autoriteiten hem ongemoeid laten. Maar het onderwijs lijdt er schade door.

Art. 4 d der Burgerlijke Pensioenwet noemt verschillende categorieën van ambtenaren op, die op 55-jarigen leeftijd recht op pensioen verkrijgen. Ook voor leeraren zou het billijk zijn een lageren leeftijd of korteren diensttijd voor het verkrijgen van pensioen te stellen.

Vervolgens spreekt spreker over het bedrag van het pensioen.

Gunstiger bepalingen hieromtrent zijn noodig; in vele andere landen is het bedrag van het pensioen veel hooger, soms is hét zelfs 100 pet. van het salaris. Indien de wet in Nederland het pensioenbedrag niet zoo ver wil opvoeren, zou het niet meer dan billijk zijn dat het pensioen wordt berekend naar het 1/so der jaarwedde voor ieder dienstjaar, in het laatste dienstjaar genoten.

Nu wordt het tijdstip der pensioneering door zeer velen met zorg tegemoet gezien; het bedrag van 2/3 van het salaris, over de laatste 5 jaren gemiddeld genoten, is voor volledig pensioen te laag; het is geen overdaad als het tot */„ wordt verhoogd en wel van bet salaris in het laatste jaar genoten, omdat daarop uit den aard der zaak, bij toch al beperkte inkomen, de levenswijze is gebaseerd.

Sluiten