Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mej. Dalhuisen zou er op willen aandring-en dat eene voorziening werd getroffen inzake de pensioensaanspraken van weduwen en weezen van leeraren die werkzaam waren aan Gemeentelijke H. B.-scholen en onverplichte gymnasia en die vóór 1 Januari 1906 zijn overleden. Spreekster wijst in dit verband op de aanneming van bet wetsontwerp 'betreffende de pensioenregeling voor de weduwen en weezen van vóór 1 Januari 1906 overleden, gepensionneerde of op wachtgeld gestelde onderwijzers. (Wet van 23 Mei 1917 Stbl. n°. 426), omdat de gronden waarop dit wetsontwerp steunden, evenzeer, naar spreekster's meening,'gelden voor de weduwen en weezen van bedoelde leeraren. Spreekster wijst er op, dat het meerendeel dezer weduwen hoogbejaard is en onder haar .de meesten in financieel ongunstige omstandigheden verkeeren, terwijl bet aantal gering is, (aan het bestuur der vereeniging zijn slechts 11 namen bekend). Spreekster doet mededeeling van een adres, dat op 11 Januari 1916 door het 'Genootschap van Leeraren aan Ned. Gymnasia en de Vereeniging van Leeraren bij het M. O. tot de Begeering is gericht.

Bovendien stelt spreekster de vraag of eene verhooging der weduwenpensioenen in het algemeen niet wenschelijk wordtgeacht.

De Voorzitter, gelooft niet, dat het voorstellen tot het geven van terug-werkende kracht aan de wet van 1906 op den weg der Staatscommissie ligt.. Als hoofdargument voor de genoemde wet van 28 Mei 1917, Stbl. 426 gold, dat aan de betrokken onderwijzersweduwen herhaaldelijk uitzicht op pensioen was geopend. Spreker betwijfelt voorts of er inderdaad zóó weinig belanghebbenden zullen zijn. Wat de verhooging in 't algemeen der weduwenpensioenen betreft, doet spreker opmerken, dat dit eene balansquaestie vormt, die pensioenen worden regelmatig verhoogd, als het fonds dit toelaat.

De heer Turksma wijst er nog op, dat de kosten voortvloeiende uit de wet van 23 Mei 1917, Staatsblad. n°. 426, volkomen zijn gedekt door de bijdragen der onderwijzeressen.

Mej. Dalhuisen doet nog opmerken dat het aantal der belanghebbenden moeilijk groot zijn kan, omdat het uitsluitend de weduwen betreft van leeraren aan Gem. Hoogere Burgerscholen en onverplichte Gymnasia,

Spreekster brengt vervolgens ter sprake den diensttijd van academisch gevormde leeraren. Zij wijst er op, dat. deze leeraren gewoonlijk eerst op zoo'n gevorderden leeftijd eene betrekking krijgen, dat ze — behoudens hooge uitzondering — zelfs op 65-jarigen leeftijd geen. 40 dienstjaren kunnen aanwijzen. Deze ongunstige positie blijkt vooral uit eene vergelijking met leeraren, die bij het L. O. werkzaam zijn geweest, terwijl eene academische opleiding voor de algemeene ontwikkeling der leeraren toch zeer gewenscht moet worden geacht, zoodat daaruit zeker geen nadeel — wat pensioen betreft — voor de betrokkenen behoort voort te vloeien.

De vereeniging dringt dan ook aan op opname in de Burgerlijke Pensioenwet van een alinea van navolgenden inhoud:

„Voor hen, die aan eene universiteit met gunstig gevolg het doctoraalexamen in eenige faculteit hebben afgelegd of die aan de Technische Hoogeschool het diploma van ingenieur hebben verkregen, komt bij de berekening van het pensioen als onderwijzer aan eene inrichting van lager, middelbaar of hooger onderwijs als diensttijd mede in aanmerking een nader door Ons te bepalen aantal jaren van den studietijd aan een school voor hooger onderwijs."

Spreekster meent, dat een analoog geval zich voordoet in de militaire pensioenwetgeving: officieren van gezondheid hebben na 30 jaar dienst recht op pensioen (studieredenen). Overgelegd wordt vóórts eene brochure over de „lengte van studietijd".

De Voorzitter doet opmerken dat het inderdaad een zeer groote principieele overgang zou zijn, indien studietijd voor de berekening van een pensioen zou worden medegerekend. Spreker meent, 'dat aan het wezen van het verzoek ook zal

Sluiten