Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b.v. ontvangt een zekere jaarwedde. Daarvan moet bij 2 pet. storten voor eigen pensioen. Deze 2 pet. is niet voldoende om bet pensioen te bekostigen; bet zou 7 a 8 pot. moeten zijn. Alzoo past het Rijk jaarlijks ongeveer 6 pet. op de jaarwedde bij. Die 6 pet, beschouwt spr. niet als een fooi, maar als loon. De belooning' van een onderwijzer is' daardoor hooger dan zijn jaarwedde. Worden in de regeling van het pensioen wijzigingen gebracht, dan wijzigt zich daardoor de belooning van den onderwijzer, tenzij de meerdere kosten op den onderwijzer worden verhaald. Het pensioen verkrijgt door die wijziging echter geen ander karakter. En ook thans bestaat er tusschen pensioenstorting en pensioen geen verband.

Spreker geeft toe', dat eene afschaffing van premiebetaling zou neerkomen op eene bedekte salarisverhooging.

De Voobzitteb, de heer von Weileb, doet opmerken, dat, wanneer men buiten den dienst invalide wordt, niet van een verdienen van 't pensioen kan worden gesproken.

De heer Klenke blijft dit echter volhouden. De onderwijzer verdient jaarlijks een jaarwedde plus dat gedeelte van, de pensioenpremie, hetwelk hij niet zelf betaalt. Een wijziging, een uitbreiding, enz. van de pensionneering, brengt verandering in de premie en is daardoor, wanneer niets meer voor het pensioen wordt betaald, een verhooging van loon, dat door den ambtenaar wordt verdiend.

In de vijfde plaats bepleit de heer Klenke den wensch van het genootschap, om bij ontslag vóór den pensioengerechtigden leeftijd, het pensioen op 65-jarigen ouderdom niet te doen vervallen. Deze bepaling zal èn in 't belang van den ambtenaar èn in dat van den dienst zijn. Spreker meent, dat indien eene betrekking den ambtenaar niet langer aanstaat, hij feitelij k ongeschikt is voor verdere waarneming dier functie; spreker wijst op'een onderwijzer, die b.v. geen orde houden kan; het is zeker in 't belang van het onderwijs, als zoo'n ambtenaar z'n functie kan neerleggen, doch hij moet dan niet van pensioen verstoken blijven.

Voorts zou spreker gaarne zien, dat het weduwenpensioen werd bepaald op 1/3 van den laatsten pensioensgrondslag en het weezenpensioen voor elk kind op 1/,3 daarvan, dat bovendien iedere wees een pensioen verwierf van ]/4 van den pensioensgrondslag en de gezamenlijke weezen als maximum 1/2 daarvan.

Spreker vestigt voorts de aandacht op de moeilijkheden die rijzen bij de berekening der pensioenen van onderwijzers, die meerdere betrekkingen bekleeden, de verschillende wetten zijn.niet met elkaar in overeenstemming gebracht.

De Voobzitteb doet opmerken, dat een en ander verband houdt met de instelling dezer Staatscommissie, waardoor die wijzigingen zijn uitgesteld.

Ten slotte wijst de heer Ekebing op de wijze van pensioensberekening voor de onderwijzers bij het herhalingsonderwijs. Doordat uitsluitend de „werkelijke dienst" in aanmerking wordt genomen, verwerven deze onderwijzers, tegen hunne verwachting, uiterst lage pensioenen.

De Voobzitteb meent, dat een en ander voornamelijk afhankelijk is van de verklaringen der Gemeentebesturen, waarbij die onderwijzers in dienst zijn, betreffénde den aard van het dienstverband.

, Het Bestuur van het Genootschap heeft nader verklaard met deze notulen accoord te gaan.

De Voorzitter,

Sluiten