Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ite VERGADERING

Tan de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Vrijdag 5 April 1918, 's namiddags om 4 uur, in het gebouw der Pensioenraden.

Afwezig- met kennisgeving de heer Elenbaas.

Tot het mondeling toelichten van hare schriftelijke wenschen inzake het pensioenwezen is uitgenoodigd de Nederlandsche Vereeniging van land- en tuinbouwonderwijzers, welke vereeniging vertegenwoordigd is door de heeren Edelman en van deb Vliet.

De heer Edelman wijst er op, dat de land- en tuinbouwonderwijzers hunne inkomsten vrijwel rechtstreeks van de Regeering ontvangen, van de directie van den Landbouw nl. De vereeniging heeft reeds moeite gedaan om zijne leden pensioengerechtigd te doen zijn door middel van de wet op den ,,zij delingschen Staatsdienst 19 !2", hetgeen de toenmalige Minister Kolkman niet wilde.

Medegedeeld werd later, dat ■ een wet op het lager landbouwonderwij s in bewerking was en dat daarna ook de pensioenen dier onderwijzers zouden worden geregeld. Uit nader ingewonnen inlichtingen is spreker echter gebleken, dat hieraan bezwaren zijn verbonden, omdat de bewezen diensten van tijdelijken aard zijn, de belanghebbenden worden voor een cursus van 2 jaren aangesteld. Hoewel die benoeming gewoonlijk wordt gecontinueerd, is de betrekking toch van tijdelijken aard.

Voorts wijst spreker er op, dat ook getracht is dat bedoelde onderwijzers zouden worden opgenomen onder de „Pensioenwet voor de Gemeenteambtenaren 1913", waarbij men echter stuitte op het gemis van eene aanstelling. Intusschen schijnt de Minister van Landbouw overtuigd te zijn, dat aan deze onderwijzers een recht op pensioen toekomt: één der leden der vereeniging, nl. te Kampen, was eveneens slechts in 't bezit van eene tijdelijke aanstelling. Niettemin verklaart de Minister van Landbouw bij de behandeling der begrooting in 1915, dat de belooning van gemeentewege met een bedrag moest worden verhoogd, waarvan de Regeering de helft zou terugbetalen, hetgeen van invloed zou zijn op den „pensioensgrondslag" van belanghebbende. Ook bij latere begrootingen is in dezen geest gesproken. Spreker wijst er op, dat belanghebbenden overigens nogal eens worden vergeten, hunne positie is ook niet bij de wet geregeld.

De Voobzitteb, de heer von Weileb, meent, dat de geopperde bezwaren beter door Regeering of gemeentebesturen kunnen worden opgelost. Spreker gelooft echter niet, dat aan tijdelijke ambtenaren als zoodanig een pensioenrecht zal worden toegekend, eene vaste dienstbetrekking zal wel een vereischte blijven. In de eerste plaats moet een vast dienstverband aanwezig zijn.

Sluiten