Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERGADERING

eener Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op • Zaterdag 25 Mei 1918, 's morgens om 10 uur, ini het gebouw der Pensioenraden, Lange Houtstraat 11, te 's Gravenhage.

Tot het mondeling1 toelichten van zijne schriftelijke wenschen inzake het pensioenwezen is uitgenoodigd de heer E. J. Bomli, leeraar aan de hoogere burgerschool en het gymnasium te Tiel.

Deze heer wijst en op, dat als regel geldt, dat, wanneer een ambtenaar, die van één pensioengerechtigde betrekking in twee of meer dergelijke betrekkingen overgaat, zijne dienstjaren, in die vroegere betrekking doorgebracht, alleen meetellen bij de berekening van het pensioen van de betrekking met den hoogsten pensioensgrondslag. Voor talrijke leeraren, onderteekenaars van een door spreker ingezonden adres, is die bepaling nadeelig. Spreker wijst er op, dat na eene gedane oproeping 53 leeraren zich hebben aangemeld, als hebbende verschillende betrekkingen bij het middelbaar of gymnasiaal onderwijs, vóórafgegaan door ééne andere burgerlijke betrekking. Dat aantal is dus vrij groot, Daar men echter meende, dat het adres meer kans van slagen zou hebben als slechts zij teekenden, die ongeveer gelijktijdig in twee betrekkingen benoemd waren, is het adres slechts door 25 der belanghebbenden onderteekend.

Spreker meent, dat de Burgerlijke Pensioenwet in artikel 17, 1ste hd, tegenover ieder der 53 belanghebbenden zeer onbillijk handelt, Wanneer men van ééne burgerlijke betrekking overgaat in twee of meer andere, zou men toch reden hebben te verwachten, dat men, bij eene vooruitgang van jaarwedde, tenminste geen nadeel zou hebben bij° pensionneering, terwijl dit echter gemakkelijk hét geval' kan zijn Spreker geeft hiervan een voorbeeld en doet voorts opmerken, dat natuurlijk het overgaan van één naar twee of meer betrekkingen niet altijd ten gevolge heeft, dat de bedoelde ambtenaren m pensioen achteruitgaan, maar dat toch een leeraar, die aan twee of meer inrichtingen les- geeft ten opzichte van zijn pensioensregeling altijd achterstaat bij 'zijne collega s aan ééne inrichting, wanneer het salaris van beiden en dus ook hun pensioensgrondslagen), gezamenlijk of enkel gelijk zijn Ook hier toont spreker de onbillijkheid voor dé dubbele betrekking door een voorbeeld aan '

Voorts zegt spreker, dat de opmerking gemaakt zou kunnen worden, dat een ambtenaar van te voren bedenken-moet of hij al gaat hii m jaarwedde vooruit, misschien niet achteruit gaat wat het bedrag van zijn pensioen betreft, Deze opmer-" kmg heeft dan echter geen reden van, bestaan, omdat de leeraren aan gemeente-hoogere scholen eerst in 1906 pensioengerechtigd zijn geworden en hun overgang van één naar twee ot meer onderwijsbetrekkingen dikwijls van vóór 1906 dateert Bovendien zijn de bezwaren eerst later en langzamerhand aan belanghebbenden duidelijk geworden

Sluiten