Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schijnlijk een belangrijk gedeelte van het kapitaal, waarmede woeste streken in Ned. Indië tot ontwikkeling worden gebracht.

Zal ook inlandsch kapitaal daarvoor te vinden zijp? Wij veronderstellen het. Doch daarmee zijn wij eerst tot op de helft, want dan staan wij pas bij de vraag, is dat inlandsche kapitaal in staat, voldoende en bruikbare arbeidskrachten aan zich te verbinden ? Dit is een zuiver economisch vraagstuk, dat geheel buiten politiek terrein ligt.

Inlandsche volksleiders (vgl. de Medansche lezing van Abdoel Moeis) meenen, dat een politieke vereeniging als de S. I. daartoe aangewezen is, doch het ligt voor de hand, dat ook de beste politieke leider daarom nog geen organisator en leider van een landbouwonderneming is, en niet vanzelf sprekend in staat zal zijn een begrooting van uitgaven voor die onderneming op te maken, en den kostprijs van zijn product te berekenen.

En al zijn ook al de arbeiders lid van dezelfde politieke vereeniging, dan geeft dat nog geen waarborg, dat de praestaties van die arbeiders bij de berekening van den kostprijs een factor zullen kunnen zijn, die ook maar bij benadering vast te stellen is.

En toch staat en valt daarmede, — met de mogelijkheid om dien factor onder cijfers te brengen, — de mogelijkheid om een (landbouw)industrie hetzij met Inlandsch of met Europeesch kapitaal in het leven te roepen en te houden.

Vooral in een land als de Oostkust van Sumatra, waar men met van Java geïmporteerde arbeiders moet werken.

Gesteld toch, dat 1000 arbeiders die f 150,000 aan immigratie hebben gekost, om een of andere reden, (bv. omdat zij ook aan politiek doen, en niet ingenomen zijn met de politieke belijdenis van den bedrijfsleider), de onderneming verlaten korten tijd nadat zij daar arriveerden, dan wordt daarmede de geheele onderneming in gevaar gebracht.

Wel, zoo redeneert men wellichf, ter ^Oostkust van Sumatra zou de Inlandsche nijverheid event. hare arbeiders kunnen recruteeren onder de arbeiders die door de Europeesche industrie zijn aangeworven en opgeleid tot bruikbare arbeiders, doch daarmee is de quaestie allerminst opgelost. De P. S. waaronder die arbeiders zijn opgeleid wordt afgeschaft. Voor de Europeesche industrie worden jaarlijks ongeveer 50,000 nieuwe immigranten aangevoerd en uit niets blijkt, dat de werklieden die van de Europeesche ondernemingen geronseld worden, bij den nieuwen werkgever aan behoorlijke eischen zullen voldoen, daargelaten nog, dat bescherming tegen dergelijke onderkruiping onmiddellijk aan de orde zou komen.

De inlandsche nijverheid kan, wil zij naast de Europeesche nijverheid bestaan, dezelfde arbeidszekerheid die deze behoeft, niet

Sluiten