Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

missen. Geen van beide kan bestaan, wanneer zij geheel afhankelijk zijn van de persoonlijke inzichten, de karaktereigenschappen en gebreken, het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, de indolentie, de grillen van den arbeider, zijn ongeneigdheid om den volgenden dag te werken, als hij den vorigen dag genoeg verdiend heeft om twee dagen te kunnen leven.

De Javaansche arbeider vindt in zijn godsdienstigen code niets hetgeen herinneren kan aan het Bijbelsche „in het zweet Uws aanschijns enz." Intellectueete, moreele, of ethische noodzakelijkheid om te arbeiden kent hij niet; van een recht op arbeid of den plicht tot arbeiden zal hij misschien na honderd jaar voor het eerst hooren; ook zal geen politieke theorie hem het massabewustzijn kunnen bijbrengen, dat opvoering van de productiviteit van den arbeid zijn streven moet zijn.

Wij zouden de vergelijking nog verder kunnen trekken, maar dit is volkomen overbodig voor al diegenen die met den Javaanschen immigrant hebben moeten werken.

Wanneer de contractkoelie een eigenaardigen kijk op zijn mentaliteit geeft, waar hij met geringschatting van zich zelf zegt. „saja orang contract sadja" — dan staat hij op gelijke hoogte als het milieu waaruit hij voortkomt.

Vraagt men de Madoereesche vrouw, hoe zij zoo dom kon zijn, dan antwoordt zij: „oreng bine"!

Vraagt men hetzelfde aan den Javaanschen landbouwer dan ishet antwoord: „oreng tani"!

Verreweg de meeste z. g. klapperkara's zijn hieraan te wijten, dat de assistent die hart voor zijn werk heeft aan het eind van zijn geduld raakt, als alle moeite om den koelie bij te brengen wat hij te doen heeft vergefssch is.

Is die arbeider „geheel vrij", d. w. z. aan zich zeiven overgelaten, en niet gebonden aan regel en discipline, dan mist hij tevens alle stuur en richting, waait mede met alle winden en staat bloot aan eiken invloed, goed of kwaad, zoodat op hem niet valt te rekenen. Vv.-

Strenge regel en tucht worden dan een steun, dien de arbeider zelf leert waardeeren.

Welke eischen de Europeesche of op Europeesche leest geschoeide landbouwindustrie aan den Oosterschen arbeider stelt, en hoe men aan die eischen heeft getracht te gemoet te komen, blijkt uit een overzicht van de geschiedenis der particuliere industrie in alle Oostersche landen, en de geschiedenis van de straf- en dwangbepalingen in vele Oostersche arbeidswetgevingen^

Vooral zij die zich bezig houden met de ontwikkeling van Nederlandsch Indië in nationale richting, mogen de lessen welke die geschiedenis aan de hand doet, niet verwaarloozen.

Sluiten