Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 4.

De Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij is bevoegd het thans bestaande spoor (van 1.435 meter) te gelijk met het aan te leggen smaller spoor te behouden gedurende hoogstens 25 jaren na de afkondiging der wet in art. 2 bedoeld.

De Gouverneur-Generaal beslist, na de Maatschappij te hebben gehoord, omtrent de maatregelen, die bij het gelijktijdig gebruik van het thans bestaande en het aan te leggen smaller spoor in het belang der veiligheid van het vervoer zn'n te nemen.

Art. 5.

Van de kosten der spoorversmalling wordt eene afzonderlijke rekening gehouden.

Hierop worden gebragt alle uitgaven voor den nieuwen bovenbouw en het nieuwe materieel, doch niet die welke tot vernieuwing van het bestaande dienen.

Deze rekening wordt jaarlijks onderworpen aan dé goedkeuring van den Minister van Koloniën.

Indien zij tot geschil aanleiding geeft, wordt daarover in hoogste beroep beslist door drie scheidsleiden, waarvan één te benoemen van weerszijden en de derde door den Hoogen Raad der Nederlanden.

Art. 6.

De kosten der spoorversmalling worden voor de helft, doch tot geen hooger bedrag één millioen gulden, gedragen door den Staat.

Het door den Staat verschuldigde wordt in Nederland uitbetaald, telkens tot een bedrag van honderd duizend gulden, voor zooverre uit de gehouden rekening blijkt dat het dubbele van die som voor de spoorversmalling is uitgegeven.

Art. 7.

Wanneer de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij in gebreke blijft de ingevolge deze overeenkomst op haar rustende verpligtingen na te komen, kan de Gouverneur-Generaal in het ontbrekende doen voorzien op hare kosten.

Art. 8.

Deze overeenkomst wordt geacht een deel uit te maken van de concessie voor den spoorweg van Samarang naar Djokjokarta en Willem I.

Sluiten