Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorwaarden, waarop aan de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij concessie is verleend voor den aanleg en de exploitatie van spoorwegen van Djokjokarta naar, Magelang en Tjilatjap en van Soerakarta naar Madioen.

AFDEELING I.

Van de aam te leggen wegen. Art. 1.

De spoorwegen, bh' deze concessie bedoeld, strekken ter verbinding van de hoofdplaats Djokjokarta met Magelang en Tjilatjap en van de hoofdplaats Soerakarta met de hoofdplaats Madioen.

De lijn Djokjokarta-Tjilatjap blijft bezuiden het Serajoe-gebergte. De ln'n Soerakarta-Madioen overschrijdt alleen dan de rivier bij de hoofdplaats Madioen, wanneer te dier plaatse eene aansluiting aan een anderen spoorweg noodig wordt. Overigens wordt de rigting der Innen door den Gouverneur-Generaal vastgesteld. Zn' moeten aan den bestaanden spoorweg Samarang-Vorstenlanden aansluiten.

De Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij (verder in deze concessie eenvoudig „de Maatschappij" te noemen) doet de voorstellen voor de rigting en de aansluiting, en biedt de vereischte plannen en bescheiden ter goedkeuring aan den Gouverneur-Generaal aan.

Aan de Maatschappij wordt op haar verzoek mededeeling gedaan van de bescheiden, ten gevolge van vroegere opnemingen in de streek, waardoor de spoorwegen loopen, in het bezit der Regering gekomen. Zy mag daarvan afschriften doen nemen.

Art. 2.

De onteigening voor de spoorwegen zullen dadelijk voor eene dubbele spoorbreedte geschieden.

Behoudens het maken van uitwijkplaatsen met dubbel spoor, ter verzekering van een spoedig en veilig verkeer, zullen de aardebaan en kunstwerken aanvankelijk worden aangelegd voor enkel spoor.

De Gouverneur-Generaal bepaalt, de Maatschappij gehoord, het aantal, den onderlingen afstand en de lengte der uitwijkplaatsen, met dien verstande, dat hare geheele lengte, zoowel in als buiten de stations, het tiende van de wegen niet zal te boven gaan.

Sluiten