Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De concessiën voor latei- aan te leggen verlengingen of zijtakken vervallen te gelijker tijd met de concessie voor de hoofdlijnen.

Na afloop van den termijn, voor deze concessie bepaald, vervallen de daarin bedoelde spoorwegen met alle toebehooren vrij en onbezwaard aan den Staat.

Art. 67.

By het eindigen der concessie moeten de spoorwegen met de daartoe behoorende panden, stations, kunstwerken en gebouwen zich in volkomen staat van onderhoud bevinden.

Het rollend materieel, de locomotieven, werktuigen, meubelen en de alsdan voorhanden voorraad van materialen en brandstoffen worden door den Staat overgenomen tot den prijs, te bepalen door drie deskundigen, te benoemen als in art. 68 is voorgeschreven.

Art. 68.

De Staat heeft het regt om deze spoorwegen te naasten op 1 Januarij 1910, en verder na elke tien jaren exploitatie.

De naasting geschiedt tegen den prijs, die aldus wordt gevonden: men berekent de zuivere opbrengst van de laatste zeven jaren, trekt daarvan de twee ongunstigste jaren af, neemt het gemiddeld bedrag der na aftrekking overblijvende vijf jaren, en brengt de alzoo verkregen som, door die met vijf en twintig te vermenigvuldigen, tot kapitaal.

De prn's kan niet minder bedragen dan het bn' art. 79 bedoelde kapitaal, verminderd met hetgeen voor inkoop en aflossing van voor deze onderneming uitgegeven aandeelen en obligatiën is besteed.

De betaling geschiedt aan de Maatschappij zes maanden na de finale overneming van de spoorwegen.

De aanwezige voorraad van nog niet in gebruik gebragte werktuigen .en materialen en van brandstoffen is niet in deze overneming begrepen en wordt afzonderlijk betaald, tegen den prijs, te bepalen door drie deskundigen, waarvan één wordt benoemd door den Gouverneur-Generaal, één door de Maatschappij en één door het Hooggeregtshof van NederlandschIndië.

Van het voornemen om te naasten wordt minstens een jaar te voren aan de Maatschappij kennis gegeven.

De in deze eoncessie bedoelde spoorwegen worden niet genaast dan gelijktijdig met den spoorweg van Samarang naar Djokjokarta en Willem I.

Art. 69.

Alle kosten en regten op het verleenen, verkrijgen en exploiteeren van deze concessie vallende, komen ten laste van de Maatschappij.

Sluiten