Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bataviasche havenwerken, waarvoor de aanvoer van eene zeer aanzienlijke hoeveelheid grondstoffen (kalksteen van Buitenzorg en klei van Depok) per spoor zal gevorderd worden.

De bedongen koopsom van ƒ 5 millioen kan uit het oogpunt van den Staat niet te hoog geacht worden, daar men mag aannemen dat de In'n Batavia-Buitenzorg op dit oogenblik een kapitaal van niet minder dan dit bedrag vertegenwoordigt. De winst op de exploitatie bedroeg in 1876 ruim ƒ 319 000; het vervoer nam van den aanvang af geregeld toe, en zal voorzeker in veel sterkere mate toenemen wanneer de lijn in de rigting van de Preanger regentschappen verlengd zal zijn. En al wil men onderstellen dat de uitgaven voor weg, werken en materieel in vervolg van tijd zwaarder op de exploitatie-rekening zullen drukken dan tot dusver, toch mag men rekenen op eene blijvende winst, minstens in evenredigheid met het kapitaal dat nu voor den spoorweg zal worden betaald.

De bijzondere bepalingen der overeenkomst betreffende de overdragt der lijn Batavia-Buitenzorg zullen wel geen bespreking vereischen. Het is duidelijk dat de Regering eenige ruimte van tijd voor de overneming heeft moeten bedingen, omdat deze behoorlijk moet worden voorbereid, wil men in de exploitatie geen verwarring of stoornis brengen.

Over de uitbetaling van den koopprijs zal hieronder (in § 12) nader gehandeld worden.

Wijziging der concessie Samarang-Vorstenlanden. *)

§ 4. Het voorname doel van de tweede der in § 1 genoemde overkomsten is, zoo als met een enkel woord reeds in § 2 werd gezegd, de vervanging van art. 90 der concessie Samarang-Vorstenlanden door eene nieuwe en voor den Staat verkiesseljjker bepaling. Allereerst moet hier derhalve dat artikel worden ter sprake gebragt.

Het luidde tot dusver als volgt:

„Zoodra de winst- en verlies-rekening eene zuivere winst aantoont van meer dan vijf percent, zal dat meerdere tot een bedrag van één ten honderd worden ingehouden tot terugbetaling aan den Staat van hetgeen deze voor rente gedurende den tijd van aanbouw heeft betaald, en van de eventuële voorschotten, door hem verstrekt ten gevolge van den waarborg der rente.

„Zoolang de Staat crediteur van de vennootschap is, zal geene hoogere winst dan zeven ten honderd aan de aandeelhouders mogen uitgekeerd worden, maar het meerdere voor twee derde deelen almede moeten strekken tot delging van de schuld aan den Staat, terwijl van het overige

1) In den hierbij overgelegden afdruk der concessie zijn de wijzigingen in margine aangegeven.

N. B. Deze afdruk (Gedr. St. 1876-77. 305. No. 8) is in dit deel niet onder de Bijlagen opgenomen. R.

Sluiten