Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te te doen blijven. De Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij zou aan de lijn liever de rigting over het gebergte gegeven hebben, om haar door het dal der Serajoe én langs de hoofdplaats Banjoemas te kunnen leiden. Met het oog op de aanzienlijke kosten van den spoorweg over het gebergte en op de bezwaren welke dit tracé voor de communicatie tusschen Tjilatjap en de residentiën Bagelen en Djokjokarta zou opleveren, heeft echter de Regeering, overeenkomstig het eenstemmig advies der Indische autoriteiten, aan de kortste verbinding, bezuiden het gebergte, de voorkeur gegeven.

. Voorts is Kèt, in het belang der zuinigheid, wenscheljjk voorgekomen om by de concessie (art. 1 in verband met art. 22) te bepalen dat het eindstation ter hoofdplaats Madioen alleen dan aan de oostzftde der rivier zal worden geplaatst en dat dus ook alleen dan door de Maatschappij eene spoorwegbrug over die rivier zal worden gebouwd, wanneer aansluiting aan andere spoorwegen aldaar noodig wordt.

De nieuwe lijnen zullen te zamen ongeveer 350 kilometers lang worden, en voor den aanleg wordt een kapitaal van ƒ 28.500.000 noodig geacht, dat is gemiddeld ongeveer ƒ 81000 per kilometer.

Bij art. 22 der concessie is voor de voltooijing van de lijn SoloMadioen een termijn van vier jaren en voor de voltooijing der lijnen van Djokjo naar Magelang en Tjilatjap een termijn van acht jaren gesteld, te rekenen van het tijdstip waarop met de onteigeningen een aanvang kan gemaakt worden, dat is, ingevolge de artt. 6 en 9, waarschijnlijk 31/2 jaar nadat de concessie in Indië in werking zal zijn getreden. De termijnen zijn ruim gesteld, ten einde zooveel mogelijk, tegen teleurstellingen gevrijwaard té zyn, en omdat de Maatschappij toch wel in haar eigen belang den arbeid naar vermogen zal bespoedigen.

§ 10. De wetgevende magt wordt bij de nieuwe concessie natuurlijk in de voornaamste plaats betrokken wegens hare finantieele voorwaarden. Daarom verdienen die hier allereerst te worden uiteengezet.

Ingevolge art. 71 verbindt zich de Staat gedurende 40 jaren tot de uitkeering van eene jaarlijksche rente van 5 percent, tot een maximum evenwel van ƒ 1425000, over het voor den aanleg vereischte (op hoogstens ƒ 28500000 geraamde) kapitaal, en dat wel van het oogenblik af, en naarmate, de Maatschappij aantoont geld te moeten opnemen. Met het oog op die laatste restrictie is bepaald (artt. 74 en 76) dat de voorwaarden, waarop de Maatschappij aandeelen of obligatiën wenscht te gelde te maken, vooraf moéten worden goedgekeurd door de Ministers van Koloniën en van Financiën. De gelden, die, hoewel opgenomen, nog niet dadelijk voor den aanleg gebruikt worden, moeten onder toezigt der Regering ter rentewinning worde uitgezet, en de daarmede te maken rente komt in mindering van de staatsgarantie (art. 73).

Sluiten