Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De garantie van 5 percent over het aanlegkapitaal kan niet te hoog geacht worden, zoo als uit het hieronder volgende duidelijk blijken zal.

De Maatschappij is voornemens om zich het geld voor den aanleg der nieuwe lijnen te verschaffen door de uitgifte van 6 millioen aan aandeelen en 22i/o millioen aan obligatiën, tegen niet meer dan 4i/2 percent rente, welke obligatiën (zie lager) binnen ongeveer 35 jaren moeten worden afgelost. De Maatschappij zal dus, terwijl zij van den Staat

, ƒ 1425000

ontvangt

's jaars, voor rente en aflossing (annuiteit) van de door

haar a pari uitgegeven obligatiën moeten betalen ruim J 1^uuu

zoodat zn van de rentegarantie voor de 6 millioen aandeelen

slechts overhoud

uitmakende 2% percent.

Zoodra de exploitatierekening een voordeelig saldo aanwijst van minstens ƒ 142500 (artikel 80a in verband met art. 81 der concessie), stugen de inkomsten, waarover de Maatschappij ten bate van hare aandeelhouders beschikken kan, van ƒ 137000 tot ƒ 279500, en klimt dus de bedoelde rente van 2% tot 4,65 percent. Al wat daarboven op de nieuwe onderneming wordt verdiend, moet de Maatschappij zelve maken, dat is: kan alleen het gevolg zijn van de omstandigheid dat het der Maatschappij gelukt op gunstiger voorwaarden geld in leen op te nemen dan tegen 4% percent rente of van het feit dat de exploitatie meer opbrengt dan de gegarandeerde som, in welk geval de Staat -niets meer behoeft te betalen.

Ten einde de Maatschappij in de gelegenheid te stellen zich op de meest voordeelige wijze het benoodigde kapitaal te verschaffen, is m artikel 74 bepaald dat obligatiën onvoorwaardelijk van Staatswege gegarandeerd, kunnen worden uitgegeven tot een bedrag van 221/2 millioen effectief, rentende hoogstens 4% percent en aflosbaar binnen uiterlijk 40

^^De eventueel door den Staat krachtens^ dezen borgtogt aan de obligatiehouders te betalen som voor rente en aflossing (annuïteit) kan nimmer meer bedragen dan het totaal der aan de Maatschappij gegarandeerde rente ad ƒ 1425000, terwijl is bepaald (artikel 74, almea 3) dat laatstgenoemde som niet aan de Maatschappij wordt uitgekeerd voor zooverre de Staat in de verpligting mogt geraken om zijne tegenover de obligatiehouders aangegane venbindtenis gestand te doen. De Staat kan mitsdien bij de garantie aan de obligatiehouders nimmer eenig geldeluk nadeel lijden, terwijl hij er groot belang bij heeft dat de Maatschappij op de goedkoopste wijze het noodige kapitaal verkrijgt.

Bij artikel 75 wordt overigens het. regt voorbehouden om de bedoelde obligatiën bij de uitgifte voor staatsrekening aan te koopen.

Sluiten