Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het gewigt dier argumenten kon men niet toegeven. Er is geen grond om aan te nemen, dat de Staat niet over dezelfde krachten kan beschikken, die aan bijzondere maatschappijen ten dienste staan. Volgens sommigen kan men het geschil over Staats- of particulieren aanleg zelfs veilig ter " zijde laten als van zuiver theoretischen aard, omdat de vraag, of er bij den spoorwegaanleg goed wordt gewerkt, zich oplost in de vraag, of de ambtenaren eerlijk en bekwaam zijn. Welke reden zou er bestaan, waarom personen, in dienst eener bijzondere onderneming geschikt, zouden ophouden geschikt te zn'n, wanneer zij ambtenaren worden van den Staat?

Wat voorts het finantiele punt betreft, indien particuliere spoorwegen op Java slechts tot stand kunnen komen door rentegarantie van Staatswege, dan is het tamelijk' onverschillig of de begrooting wordt belast met de sommen voor rentegarantie, dan wel met de rente van leeningen ten behoeve van Staatsaanleg. Men mag zelfs onderstellen, dat door het meerdere crediet van den Staat de laatste post lager zal zijn dan de eerste.

Twee redenen, werd verder gezegd, pleiten voor aanleg van wege den Staat, vooral op Java. Daar nog minder dan elders is het raadzaam een imperium in imperio te scheppen, en men loopt gevaar, dit te doen door de spoorwegen aan magtige maatschappijen in handen te geven. Het is daarom volgens dit gevoelen van groot belang, dat in onze Oost-Indische bezittingen niet alleen de aanleg van Spoorwegen geschiede door de Regering, maar dat ook de spoorwegexploitatie een tak zn' van publieke dienst.

Ten tweede is het in 't bijzonder in onze koloniën wenscheljjk, dat de Staat in tijd van oorlog of hongersnood onmiddelijk over de spoorwegen kunne beschikken. Men kan, het is waar, voor die gevallen de particuliere spoorwegen aan eenige bepalingen onderwerpen; maar het is onbetwistbaar, dat de Staat vrijer is en krachtiger kan handelen, indien hn' over eigen spoorwegen beschikt.

Bn' dit alles komt, dat in 1875, bij de wet van 6 April (Staatsblad No. 61) tot den aanleg, „voor rekening van den Staat, van een spoorweg ter verbinding van Soerabaija, Pasoeroean en Malang" besloten is. In den considerans dezer wet wordt gezegd, „dat verbetering der middelen van gemeenschap door aanleg van spoorwegen op Java noodig is", en „dat reeds dadelijk met den aanleg eener lijn in Oost-Java een aanvang kan worden gemaakt, terwijl opnemingen worden gedaan ter bepaling van de juist rigting der verdere lijnen". Blijkt hieruit niet duidelijk, dat de wetgever in 1875 eene eerste schrede heeft willen zetten op eenen weg*> dien hn' toen met bewustheid ook voor het vervolg gekozen had? Is niet bij de behandeling der Indische begrooting voor 1878, zonder dat bij het mondeling debat eene enkele stem zich daartegen verhief, zelfs tot exploitatie Van Staatswege besloten ? Nu eenmaal de keuze is gedaan, had men zich aan haar moeten houden. De voorstellen der Regering zeiven bewijzen de noodzakelijkheid daarvan. Zij stelt voor, den pas eenige jaren geleden door particulieren aangelegden weg van Batavia haar Buitenzorg in het

Sluiten