Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Batavia-Buitenzorg. Volgt men deze lijn toch, dan wordt men genoodzaakt de rigting tusschen Salak en Gedeh te nemen, om met een grooten omweg Tjandjoer te bereiken.

Kiest men daarentegen van Tandjong Priok eene rigting in bijna regte lijn zuidoost langs Tjilingsie en Tjibaroessa, dan kan men den omtrek van Tjandjoer bereiken met een hoogste paspunt van p. m. 500 meter boven de zee, terwjjl de door overname der lijn Batavia-Buitenzorg noodzakelijk gemaakte rigting langs Gekbron eene hoogte moet bestijgen van 900 meter.

Men herinnerde zich, dat volgens het in 1871 ingediende voorstel, waarnaar boven verwezen werd, de afbuiging der lijn naar de. Preanger, niet bij station Buitenzorg, maar bij Depok zoude plaats hebben.

Nu wordt de aankoop der lijn Batavia-Buitenzorg in de Toelichting nog aangeraden op grond van gemakkelijken aanvoer van materialen voor den aanleg van de haven te Batavia, en van den Staatsspoorweg door de Preanger regentschappen. Aan deze redenen, geheel van tn'delijken aard, werd weinig gehecht. Het argument vervalt al dadelijk, wanneer men voor den spoorweg naar de Preanger eene andere rigting kiest. Trouwens, ook met den tegenwoordigen exploitant zou over het vervoer dezer materialen wel eene schikking te treffen zijn. Het dubbel laden en lossen zal, ten minste wat de materialen vooral de havenwerken betreft, door dezen koop niet worden vermeden.

• Ter wederlegging van al deze bezwaren beriepen andere leden zich op de huns inziens afdoende gronden in de toelichting vóór het voorstel aangevoerd. Zij meenden zich daarom tot de volgende opmerkingen te kunnen bepalen.

De prijs. Dezen achten zij niet te hoog. Volgens hen zou het niet billijk zn'n de koopsom af te meten naar den kostenden prijs, waarop de lijn Batavia-Buitenzorg in de boeken der Maatschappij staat genoteerd. En nu valt het toch niet te ontkennen, dat de productiviteit der ln'n klimmende is; de cijfers in het Koloniaal Verslag van 1877 door de Regering medegedeeld (zie bladz. 152 en 153) toonen dit duidelijk aan. Gesteld, de Staat moest de lijn door naasting verkrijgen, volgens art. 65 der concessie zou dan door hem als koopsom moeten betaald worden vn'f en twintig maal het middenciï'fer der zuivere opbrengst over de laatste zeven jaren, na aftrek van de beide ongunstigste jaren. Neemt men nu tot bepaling van dit middencijfer de opbrengst van het laatst bekende jaar, dan komt men tot een veel hooger bedrag, dan waarvoor thans is overeengekomen. Bovendien zouden dan alleen aan den Staat in eigendom overgegaan de weg en het loopend materieel, maar niet de magazijnsvoorraad.

De geschiktheid der lijn voor meerder vervoer. Lieten onder- en bovenbouw te wenschen over, dit ware aan de Regering zelve te wijten, die daarop dan geen voldoend toezigt zou hebben gehouden. Immers de

Sluiten