Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 5. „De kosten, vullende op de overdragt of op den overgang". Welke is de bedoeling dezer redactie? Wat beteekent „overdragt"? wat „overgang" ?

§ 5. Algemeene beschouwingen over de overeenkomst tot wijziging der concessie Samarang-Vorstenlanden en die tot het verleenen, van concessie voor de lijnen Djokjokarta-Magelang-Tjilatjap en Soerakarta Madioen, in onderling verband. (Nos. 4 en 6 der stukken).

Op een aantal leden makten deze overeenkomsten, op zich zelve genomen en afgescheiden van alle principiële bezwaren tegen particulieren aanleg, een ongunstigen indruk.

Het was naar veler meening blijkbaar, dat de belangen der Maatschappij gelukkiger waren voorgestaan dan die van den Staat.

Nu echter de beide Ministers, die hunne onderteekening aan aldus geconstrueerde overeenkomsten gegeven hadden, met de verdere leiding der zaak niet meer belast waren, scheen aan deze leden eene breede uitwerking dier ongunstige meening weinig noodig. Algeheele omwerking mogt men volgens deze leden van de nieuw opgetreden Ministers verwachten, aangenomen eenmaal, dat zij de geheele voordragt niet liever zouden willen terugnemen.

Daarenboven deden deze opmerken, dat de toeleg der Nederlandsch Indische Spoorwegmaatschappij kennelijk is, om den Staat te maken tot haren mede-vennoot in algemeenen zin. Zij wil den Staat, èn wat de teruggave van zijn voorschot van ƒ 3.334.429,66* èn wat zijne verdere participatie betreft, afhankelijk stellen, niet van de uitkomsten van de exploitatie der lijn Samarang-Vorstenlanden of van de lijn Tjilatjap-DjokjokartaMadioen op haar zelve, maar de finale uitkomsten van al hare zaken, in haar geheel en te zamen genomen passiva zoowel als activa.

Of het wenschelh'k is voor den Staat, om zich naar dien toeleg te schikken, zal thans wel vóór alles door de nieuwe Regering overwogen dienen te worden.

Maar mogt zij dit kunnen goedkeuren en willen verdedigen, dan dient, naar het schijnt, tweeërlei hersteld, dat door de vorige Regering is verzuimd.

Vooreerst zou het dan in hooge mate wenschelhk zijn, dat de beide concessiën, de bestaande en de nieuwe, vervormd werden tot ééne enkele. Eene naauwlettende beschouwing van de beide af deelingen betreffende de geldelijke aangelegenheden, met overweging der vraag hoe in de praktnk de bepalingen dier thans geheel afgescheiden regelingen wel zullen moeten werken, zal voldoende zhn, om het wenschelijke, ja noodzakelijke van dusdanige eenheid te doen gevoelen.

Sluiten