Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet echter het geheele excedent, maar slechts 1 pet., dat is het 6de pet. Was dit (ƒ 140.000 alzoo) bereikt en voor den Staat in mindering van zijne vordering ingehouden, dan werd het weer verder excederende beschikbaar voor de ondernemig. Tot volle 2 pet. toe. De onderneming zou dan dus, boven de reeds voor haar in de eerste plaats afgezonderde 5 pet., of ƒ 700.000, te harer beschikking krijgen nog andere 2 pet. (het zevende en achtste) of ƒ 280.000, waarna van de eventueel nog verder verkregene baten twee derde gedeelten moesten strekken tot delging van de schuld aan den Staat, terwijl van het overige de helft zou worden uitgekeerd aan het bestuur en de andere helft zou worden gebragt op de reserve-rekening.

Dat de Regering vrijheid zou vinden om eene andere voorstelling van het ten jare 1863 geconvenieerde te verdedigen of toe te laten, had men kwalijk kunnen verwachten. En al mogt nu ook de redactie van art. 90 ruimte laten voor spitsvondigheden, het was pligt geweest om aan dusdanige, met de goede trouw kwalijk te rijmen bedoelingen geen voet te geven.

Waarheid is, dat in 1869 de boven aangegevene cijfers — al bleef art. 90 zelf onveranderd, — geacht mogen worden, per consequenüam van de toen tot stand gebragte wijzigingen, (waarmede verband houdt de beschikking van den Minister van Koloniën dd. 9 April 1873, L No. 33) mede eene wijziging te hebben ondergaan.

Het voordeel, daarin voor de onderneming gelegen, wilde men haar, al kon het welligt naar de letter, geenszins betwisten.

Het Staatsobligo is toen geklommen van ƒ 630.000 tot ƒ 765.000 en het V% Pct- voor amortisatie van ƒ 70.000 tot ƒ 85.000, want het kapitaal der onderneming, waarover de 41/^ pet. te berekenen zijn, is gebragt van 14 op 17 millioen gulden. En evenzoo moet nu voor de onderneming van de zuivere baten vóór alles gelaten worden 5 pet. van f 17 millioen, dat is ƒ 850.000. Het 6de percent, waarop de Staat als rembours aanspraak heeft, wordt ƒ 170.000. En de 2 pct? die verder weêr aan de onderneming ten goede komen, worden ƒ 340.000, in plaats van ƒ 280.000.

Men verlangde, beter en breeder dan in § 4 der Memorie van Toelichting geschied was, de gronden te vernemen, die de vorige Regering konden hebben bewogen om waar 's Rijks regt te goeder trouw op zoo deugdelijken grondslag was vol te houden, uit louter vrees voor een proces dat regt los te laten.

Daarbij werd gevraagd van het adres, tè dezer zake door de Maatschappij ingediend in dato 14 Julij 1873, en van de afwijzende beschikking van den Minister van Koloniën dd. 11 September daaraanvolgende.

Men vertrouwde verder, dat de tegenwoordige Regering, scherper wakende, zich zou houden aan hetgeen oorspronkelijk is overeengekomen en hedoeld en dat zij zich in dezen krachtiger zou toonen tegenover de Maatschappij, dan hare voorgangster.

Sluiten