Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 4, alin. 2. „In het belang der veiligheid". Voor geen enkel ander belang kan dus de Gouverneur-Generaal iets hoegenaamd verordenen. Alzoo ook niet in het belang van het doorloopend verkeer bij voltooide aansluiting?

Art. 5. Bij art. 4 is aan de Maatschappü' de bevoegdheid gegeven om, te gelijk met het aan te leggen smaller spoor het thans bestaande gedurende 25 jaar te behouden. En zulks, zoo als de Memorie van Toelichting, blz. 7, i. f. zegt, omdat „aan de Maatschappij de tijd moet gelaten worden om het materieel, 't welk zn' thans in gebruik heeft, op het bestaande spoor te verslijten".

De aanschaffing derhalve van het nieuwe materieel — gaandeweg op het smallere spoor in gebruik komende — is in werkelijkheid voor de Maatschappij geen buitengewone last.

Toch worden óók „alle uitgaven voor het nieuwe materieel", krachtens alin. 2 van dit artikel gebragt op de rekening, waarvan de Staat de helft zal hebben te betalen.

Dient de regeling niet te worden gewijzigd, zóó, dat de Staat niet worde bezwaard met kosten, die de Maatschappij, naar gelang zij haar materieel verslijt, per se ten eigen laste heeft en behoort te hebben ? !

Hiertegen werd opgemerkt, dat deze bepaling de Maatschappij, wil er verband bestaan tusschen de exploitatie der oude lyn en die der nieuwe lh'nen, geenszins kan bevrijden van de noodzakelijkheid om zich de hoeveelheid materieel voor smal spoor aan te schaffen, ten behoeve der exploitatie van het geheel benoodigd.

Alin. uit. Geschillen over de rekening der spoorversmalling zullen worden beslist door arbiters. Het bezwaar tegen de formule, gebezigd om dit denkbeeld uit te drukken, is vermeld in de aanteekening op art. 85 der nieuwe concessie.

Men lette er wel op: — zoo als art. 6, alin. 2 (zie het hieronder op art. 6, alinea 2 aangeteekende) is opgesteld, zal de Staat, ook bh' gerezen geschil, moeten beginnen met te betalen. Voor de Maatschappij dus zal bij snelle oplossing van dat geschil geen belang bestaan. Integendeel. Bragt het belang van den Staat dus niet in dubbele mate meê om te waken tegen praejudiciele geschillen?

Art. 6, alin. 1. De Staat neemt hier eene verpligting op zich tot f 1 000 000.

Voor alle toelichting van dat cijfer zegt de Memorie, pag. 7, alleenlijk dat, wanneer de vier gesloten overeenkomsten in haar Onderling verband worden beschouwd, dusdanige bijdrage „voor den Staat niet te bezwarend zal-worden geacht".

Sluiten