Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage B, tot het adres aan den Minister van Staat, Minister van Koloniën, dd. 21 Januari 1878.

's Gravenhage, 12 Januari 1878.

Den Heere L. van Woudrichem van Vliet. WelEdelgeboren Heer.

Hoewel de ontvangst die aan de aanbiedingen en aanvragen van mijne firma om concessie voor den aanleg van Spoorwegen op Java en Sumatra is te beurt gevallen, mij heeft doen besluiten van alle verdere medewerking tot het bekomen van concessie af te zien, blijft de zaak zelve mij steeds het meeste belang inboezemen, en ik heb dan ook met veel belangstelling kennis genomen van het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer omtrent de vier overeenkomsten met de Ned.-Indische Spoorwegmaatschappij.

Uit het verzoek der Kamer aan de Regering „om mededeeling van „alle aanvragen en alle aanbiedingen die door particulieren met betrekking tot aanleg van Spoorwegen op Java gedaan zijn en van de daarop „gegeven beschikkingen", blijkt de gezindheid der Kamer om aan dergelijke aanvragen en aanbiedingen eenige aandacht te schenken en ik zal dus gaarne zien dat de Regering de Kamer zoo volledig mogelijk inlicht en daartoe ook de aanbiedingen en aanvragen overlegt die den naam mijner firma dragen, al wensch ik ook niet meer als concessie-aanvrager beschouwd te worden.

De aanspraken welke mijne firma mogt hebben verkregen of kunnen doen gelden draag ik bij deze geheel op UWEdG. over, en voeg daaraan gaarne toe dat mijne firma gezind blijft als bankier U ter zijde te staan, indien door U concessie mogt worden verkregen op de goede grondslagen voor kapitaal-formatie, meermalen door U ontvouwd.

Met de meeste achting heb ik de eer te zijn

UWEdG. Dw. Dienaar,

(get.) P. J. LANDRY.

Sluiten