Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zoo ja wanneer? Het gezegde op bladz. 2 der Memorie van Toelichting, dat de aanleg van wegen in de concessie begrepen, niet zal achterwege blijven of al te lang worden vertraagd geeft aanleiding tot die verwachting.

Te meer scheen het noodzakelijk de redenen te kennen, die de Minister bewegen thans alleen in Staatsaanleg heil te zoeken, omdat het Voorloopig Verslag over de overeenkomsten met de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappn' wel vele bezwaren tegen de daarbij in aanmerking komende concessie behelst, maar nergens blü'ken draagt dat de meerderheid der Kamer voor Staatsaanleg boven concessie aan particulieren gestemd is. De laatste wijze van aanleg is steeds door vele leden der liberale partij in de Kamer voorgestaan. De tegenwoordige Minister van Koloniën behoorde in vroegeren tijd ook tot die voorstanders. Niet alleen toch dat hn' nog in 1869 den aanleg van spoorwegen in Indië door particulieren met kracht voorstond; maar nadat hh' op 6 November 1871 een voorstel tot Staatsaanleg van spoorwegen in Indië had ingediend, meende hn' zich later tegen het verwijt, dat hij in strijd met zjjn vorig gevoelen tot aanleg voor, rekening van den Staat voorstelde, te moeten verdedigen door te verwijzen naar de geschiedenis van de Nederlandsche spoorwegwet van 1860, waaruit bleek, dat de Vertegenwoordiging ten slotte alleen Staataanleg had gewild. Met die ondervinding voor oogen had hij ook voor Indië hetzelfde voorgesteld. Daar het hem echter om de zaak — het verkrijgen van spoorwegen op Java — te doen was, en deze toen het best bevorderd scheen te zullen worden door bü voorkeur de hulp der particuliere nijverheid in te roepen, wyzigde hij züne wetsvoordragt in dien zin, dat in beginsel beslist werd ten gunste van aanleg door concessionarissen, met of zonder Staatshulp; met dien verstande nogtans, dat zoo geene concessiën verleend konden worden, de aanleg voor Staatsrekening zou plaats vinden. (Memorie van Antwoord gedrukte stukken 1871-1872, 57, No. 8, bladz. 6 en 7). Op welken grond, vroeg men, wordt dit stelsel door den Minister thans weder verlaten, of blükt althans niet, dat mj zich nog eenigermate daaraan vasthoudt?

Niet eens, voegden eenige leden er by', kon men zich hier op de verkregen ondervinding met opzigt tot de geconcessioneerde spoorwegen op Java beroepen. Wel werd in het Voorloopige Verslag van 3 Januarü 1878 over de overeenkomsten met de Nederlandsch-Indische-spoorwegmaatschappü beweerd, dat de op Java genomen proef met concessiën niet gelukkig is geslaagd; maar was dat oordeel billijk? Het is waar, de genoemde maatschappij heeft, by de uitvoering der concessie SamarangVorstenlanden met onvoorziene moey'elijkheden vooral omtrent de kapitaalvorming te stryden gehad, maar niettegenstaande dat werd door de Staat, ten gevolge van de verpligte rentegarantie gedurende twaalf jaren, dat is tot 1877, uitbetaald f 3 716 930, of slechts i&/6 percent 's jaars in plaats van de gestipuleerde éy2 percent 's jaars, terwyl de toeneming der

Sluiten