Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van de zijde der voorstanders van particulieren aanleg deed men nogmaals gelden, dat, ook volgens het vroeger door den tegenwoordigen Minister van Koloniën verdedigd gevoelen, eene spoorwegmaatschappij, die het belang harer aandeelhouders te behartigen heeft, bij al hare handelingen met mëer spaarzaamheid te werk gaat dan de Staat, en dat alleen bij particulieren aanleg eene afdoende controle op den bouw en het onderhoud der spoorwegen kan worden uitgeoefend. Waar de Staat alleen handelend optreedt, is aanleg, beheer en controle maar al te zeer in eene en dezelfde hand. Maar bovendien bestaan er bezwaren tegen staatsaanleg, die, vooral in eene overzeesche bezitting als onze, zich sterk doen gelden. De bestuurstaak der Indische Regering is reeds zwaar genoeg ; zonder afdoende noodzakelijkheid moet die niet worden verzwaard. De slechte toestand, waarin, blijkens de rekening van 1867, de finantiele comptabiliteit in Indië verkeert, moet doen huiveren om het geldelijk beheer aldaar, zonder alles afdoende noodzakelijkheid, uit te breiden en ingewikkelder te maken. Te bedenkelijker is de Staatsaanleg op Java omdat daar het gouvernement alles is en de inlandsche bevolking geheel in handen heeft. Maar al te veel reden kan er dien ten gevolge bestaan voor de vrees, dat door de gouvernementsambtenaren bh' den spoorwegaanleg misbruik zal worden gemaakt van de werkkrachten der bevolking. Nog komt in aanmerking, dat, als op dit oogenblik de keus tusschen staatsaanleg en aanleg door concessie met rentegarantie vrjj was, de minder gunstige toestand der finantiën, ook in Indië, er toe zou moeten brengen, om zich voor de laatste te verklaren. De Indische begrooting zou dan, in plaats van door eene uitgaaf voor het benoodigde kapitaal zwaar te worden gedrukt, slechts eene betrekkelijk geringe jaarlijksche bijdrage voor de rentegarantie behoeven beschikbaar te stellen.

Staatsaanleg is ook daarom zeer bedenkelijk, omdat, volgens de meesten, Staatsexploitatie daarvan het onvermijdelijk gevolg' is. Het gevaar wordt daardoor te grooter, dat de spoorwegtariven buitensporig worden verlaagd, niet in het belang van toenemende gemeenschap en dus op eene wh'ze waardoor allen min of meer worden bevoordeeld, maar alleen in het belang van den afvoer van stapelproducten voor de Europesche markt, in welk voordeel alleen door eenige planters zou worden gedeeld.

Hoe de Minister over dit punt denkt, is niet duidelijk. Op bladz. 2 zijner Memorie van Toelichting zegt hn' met zooveel woorden, dat, bij het geven van voorkeur aan aanleg door den Staat, de exploitatie, even als hier te lande is gedaan, aan de particuliere nijverheid moet worden overgelaten. Maar op de Indische begrooting voor 1878 zijn dan toch op de onderafdeeling 86 a van hoofdstuk II ƒ 180.000 uitgetrokken voor Staatsexploitatie, bepaald van de lijn Soerabaja-Pasoeroean-Malang. Die lijn zou in Mei aanstaande worden geopend. Hoe stelt de Minister zich voor dat de exploitatie daarvan zal plaats hebben? Welke voorwaarden zullen aan hen, die zich daartoe verbinden, worden gesteld? Ongetwijfeld

Sluiten