Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zullen de tariven door den Gouverneur-Generaal worden vastgesteld. Maar zal die vaststelling onderworpen zijn aan de nadere goedkeuring van het Opperbestuur? Men deed bh' die laatste vraag opmerken, dat het hier gold eene regeling van details, die uit baren aard tot den werkkring van den Gouverneur-Generaal behoort, en dat het daarom niet wenscheljjk zou zijn het Opperbestuur in die aangelegenheid te mengen.

In weerwil van de ingebragte bedenkingen tegen Staatsaanleg, eindigden verscheidene voorstanders van het stelsel van concessie met de verklaring, dat, nu de Minister de zaak der nieuw aan te leggen spoorwegen op Java in haren tegenwoordigen toestand had gebragt en er dus wat de voorgestelde Innen betreft geene andere keus overbleef dan Staatsspoorwegen of geene, die keus voor hen niet twijfelachtig was. Anderen daarentegen meenden, op nader mede te deelen gronden, dat voor de verlenging der lijn Batavia-Buitenzorg naar de Preanger-regentschappen nog geen keus gedaan kon worden, daar die zaak nog niet rijp was voor beslissing.

Overigens was men het algemeen daarover eens, dat bij de aanne• ming van het hoofddenkbeeld der Regering het tegenwoordig wetsontwerp, wat het behandeld onderwerp betreft, een anderen vorm behoorde te erlangen, dan het thans bezit. Het was niet voldoende daarin uit te drukken, dat de som bij onderafdeeling 86 der Indische begrooting van 1878 voor „spoorwegen" uitgetrokken, met ƒ 2.100.000 zou worden verhoogd. De spoorweglh'nen, voor welke dat geld dienen zou, moesten met de daaraan te geven rigting in de wet zelve worden omschreven. De mogelijkheid mogt niet bestaan, dat onder een opvolgend Minister van Koloniën de thans toe te stane gelden voor andere spoorwegljjnen werden besteed dan men thans op het oog had, of dat daaraan eene andere rigting gegeven werd. Enkele leden gingen nog verder. Zij wilde bij eene afzonderlijke wet hebben bepaald, welke nieuwe spoorwegly'nen op Java, hetzij reeds dadelijk, hetzij in het vervolg, zouden worden aangelegd, of zelfs het beginsel van eene afzonderlijke spoorwegbegrooting ook in Indië hebben ingevoerd. In elk geval wenschte men bij het antwoord op dit Verslag eene uitgewerkte raming van de kosten van aanleg der beide spoorweglh'nen en van de daartoe behoorende kunstwerken te ontvangen.

Nog werd, in verband met de in deze paragraaph voorkomende beschouwingen, teruggekomen op eene vraag, die in het Voorloopig Verslag van 3 Januari 1878 voorkomt. Men drong daarbij aan op mededeeling van alle aanvragen en alle aanbiedingen, die door particulieren met betrekking tot aanleg van spoorwegen op Java gedaan zyn en van de daarop gegeven beschikkingen, liefst, voor zoover daartegen geen overwegend bezwaar bestond, onder overlegging van de daartoe betrekkelijke stukken. Ten gevolge van de wy'ze, waarop de Memorie van Antwoord op dat Verslag is ingerigt, werd daarin dat verlangen geheel ter zy'de gelaten. Men vroeg, of er by' de Regering bezwaar bestond om daaraan thans nog

Sluiten