Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De uitdrukking in de Memorie van Toelichting tot de suppletoire begrooting, dat ten aanzien van de door de vorige Regering geconcedeerde spoorwegen Solo-Madioen en Djokjo-Magelang-Tjilatjap voor 's hands nog geene voorziening voor te dragen viel, blijkt niet begrepen te zyn. De bedoeling was eenvoudig deze: dat de Regering geen vryheid had om voor te stellen die lynen geheel of- gedeéltely'k voor rekening van den Staat aan te leggen, zoolang het contract nog niét was vervallen, waarbij voor den aanleg dier lynen concessie aan de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij was verleend. Dat contract vervalt eerst den 13den Juny aanstaande, tenzy het vóór dien ty'd door de Staten-Generaal wordt verworpen. Zoodra mogelijk hoopt de Regering ook voor het tot stand brengen van deze lynen het noodige te doen.

De redenen, waarom de uitgifte van concessiën voor deze lynen aan de Regering niet wenschelyk voorkomt, zyn aangestipt in de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag betreffende het wetsontwerp tot bekrachtiging der contracten met de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij (gedrukte stukken 1877-1878 28 No. 2). Daarin is echter niet uitgeweid over de argumenten, die in het algemeen de toepassing van het stelsel van Staatsaanleg op Java wenschelyk moeten doen achten. De ondergeteekende meende — en meent nog — dat het debat over de voor- en nadeelen van dat stelsel in het algemeen is uitgeput by de behandeling der wet van 6 April 1875 (Staatsblad No. 61), en dat het geenerlei nut kan hebben om altijd weder in dezelfde beschouwingen terug te treden. Aangaande de beteekenis dér genoemde wet kan in redelijkheid geen twijfel geopperd worden. Nadat er jaren lang vruchteloos naar was gestreefd om een goeden grondslag te vinden voor de toepassing van het stelsel van concessiën op Java, werden de Regering en de Staten-Generaal het er over eens dat men eindelijk eens zou ophouden met dat tasten naar hetgeen niet te bereiken scheen; dat men eindely k eens het beramen van plannen, waarmede Java volstrekt niet gebaat werd, zou laten varen en met den werkely'ken spoorwegbouw, waaraan zoo dringende behoefte bestond, zou gaan beginnen op de eenige yze waarop daarmede onverwyld kon begonnen worden, namely'k door het werk regtstreeks van Staatswege te ondernemen. Men zou zich evenwel niet te veel binden. Leerde de ondervinding dat het werk van den Staat zoo gebrekkig was als de tegenstanders van Staatsaanleg vreesden dat het wezen zou, dan zou op den ingeslagen weg niet worden voortgegaan, maar weder getracht moeten worden het stelsel van concessiën toe te passen. Bleek daarentegen dat de goede verwachtingen der voorstanders van Staatsaanleg verwezenlykt werden, dan zou de Staat den spoorwegbouw voortzetten. Dit was de beteekenis der beslissing, in 1875 door de wetgevende magt genomen. En thans heeft de Regering zich slechts te beroepen op den goeden uitslag der proef, met Staatsaanleg genomen, om haar voorstel te regtvaardigen, dat met de toepassing van dit stelsel zal worden voortge-

Sluiten