Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkregen, en herinnerde daarbij, wat over dit punt bij het vaststellen der laatste Indische begrooting is verhandeld. Destijds werd van de zijde der Kamer het verlangen geuit om eene behoorlijke rekening van de tot dusverre op Java in exploitatie zijnde Staatsspoorwegen te ontvangen, waarbij eensdeels werd opgegeven wat die spoorwegen aan aanleg en exploitatie hebben gekost, anderdeels Welke de inkomsten daarvan voor den Staat zijn geweest, en dat wel liefst door een vergelijkend overzigt van de kosten en opbrengsten per dagkilometer. (Voorloopig Verslag Indische begrooting 1880, blaz. 19). De Minister van Koloniën antwoordde destijds, dat het voor het leveren van zoodanige vergelijking nog wel wat vroeg was, omdat nog slechts een klein gedeelte van de in aanleg genomen lijnen gereed was gekomen. Hij voegde er echter bij, dat voor de lijn Soerabaija—Pasoeroean—Malang op zich zelve weldra zoodanige vergelijking zou kunnen worden gemaakt, en dat de Regering niet zou nalaten bij de eerste gelegenheid volledige opgaven nopens de kosten van aanleg en de productiviteit van die lijn te verstrekken. (Memorie van Beantwoording bladz. 17). Thans is die gelegenheid daar, en men . dringt er dus op aan, om bij het antwoord op dit Verslag de verlangde opgaven, althans voor een deel der in exploitatie zijnde Staatsspoorwegen te ontvangen. Men merkt alleen nog aan, dat die opgaven weinig of geen doel zouden treffen, indien daarbij niet strenge afscheiding plaats had tusschen de kapitaalsrekening en de exploitatierekening. De eene rekening mag niet ten koste van de andere worden verhoogd of verlaagd.

§ 3. Aangenomen dat de aanleg van spoorwegen op Java van Staatswege moet worden voortgezet, moest het de vraag zijn, of daarvoor op dit oogenblik de lijn Madioen-Soerakarta het eerst in aanmerking komt. Verscheidene leden geloofden dit niet, ofschoon zij daarom hunne stem aan het voorgedragen ontwerp niet zouden weigeren, overtuigd dat elke nieuwe spoorweglij n voor de bevordering van het verkeer groot nut aanbrengt. Ook de omstandigheden, die volgens § 4 der Memorie van Toelichting voor de urgentie eener beslissing pleiten, konden op die beslissing zelve niet geheel zonder invloed blijven. Anderen meenden met kracht te moeten opkomen tegen gezegden der Memorie van Toelichting, waaruit af te leiden ware, dat de aanleg dezer lijn reeds bij vroegere gelegenheden dok van de zijde der Kamer in beginsel was beslist. Zij herinnerden, dat het voorstel van den Minister van Bosse van 1871 omtrent den aanleg van spoorwegen op Java (Gedrukte stukken 1871-1872. — 57) schipbreuk heeft geleden, eensdeels omdat men destijds geen Staatsaanleg wilde, anderdeels omdat men meende, dat eene stamlijn van het Oosten naar het Westen van het eiland niet volstrekt noodzakelijk was, of dat daarop althans niet bij voorkeur moest worden gelet, daar dan toch het verbinden van de plaatsen van productie met de afvoerhavens en de bevordering van het verkeer der inlandsche bevolking op den voor-

Sluiten