Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze zinsnede eischte, meende men, nadere opheldering. Sommige leden toch waren van gevoelen dat hiermede het beginsel wordt uitgesproken van de scheiding der Nederlandsche en Indische geldmiddelen. Nu het desbetreffende wetsontwerp door de Kamer werd verworpen zouden deze leden ongaarne, zy' het indirect, het toen afgekeurd beginsel, als ter loops weder opnemen. Zy' waren van oordeel dat zoowel rente als aflossing van de leening op de gewone Staatsbegrooting gebracht behooren te worden en zy' zouden zelfs niet aarzelen om, op grond van genoemde zinsnede, het geheele wetsontwerp af te stemmen. Zy' hoopten dat de Regering deze quaestie thans van de zaak zou losmaken, om deze, wanneer haar dit geraden mogt voorkomen, by' de behandeling der Indische begrooting weder te berde te brengen.

Anderen daarentegen waren van oordeel, dat de zaak volkomen juist door de Regering wordt voorgesteld. Indien op de Nederlandsch-Indische begrooting een post wordt gebragt voor de restitutie van renten en aflossing van eene leening door het Ryk aangegaan, voor zooveel de geleende fondsen ten bate van Nederlandsch-Indië komen, wordt daarmede niet anders gehandeld dan met alle zoogenaamde restitutieposten, die thans op de Nederlandsch-Indische begrooting voorkomen. Er bestaat geenerlei aanleiding om ten deze van een reeds meermalen als juist erkend en algemeen gehuldigd begrootingsbeginsel af te wijken.

Wat hiervan zyn moge; een nadere verklaring werd door vele leden menschelhk geacht.

IV. In de tabel op pag. 2 der Memorie van Toelichting is blijkbaar eene drukfout ingeslopen. In de eerste kolom staat by' 1877 opgegeven ƒ 793.340.34, moet waarschijnlijk zijn ƒ 593.340.34.

Aldus vastgesteld den llden Augustus 1881.

W. VAN DEDEM. VAN GENNEP. SCHAEPMAN. LENTING. DE BRUYN.

Sluiten