Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De opmerking is juist, dat in de opbrengst der lrjn Batavia-Buitenzorg in de laatste jaren een zeker bedrag begrepen is wegens het transport van materialen voor de bedoelde groote openbare werken. Uit het verslag der spoorwegmaatschappij over het afgeloopen jaar blijkt, dat in 1880 het vervoer ten behoeve der Staatsspoorwegen eene bruto-opbrengst heeft opgeleverd van ƒ 33.719.10. Over de jaren 1878 en 1879 is dit bedrag niet bekend. Intusschen wordt de toeneming van de opbrengst hierdoor slechts voor een betrekkelijk gering deel verklaard. De bruto opbrengst van het vervoer van personen, bagage en bestelgoed, waarop de aanleg van de Staatswerken geen invloed kan hebben uitgeoefend, steeg van ongeveer' ƒ 347.000 in 1876 tot ƒ 387.000, in 1880, en het vervoer van koopmansmansgoederen bragt in 1880 ruim ƒ 95.000, of wanneer men de opbrengst van het vervoer ten behoeve 'der Staatsspoorwegen buiten rekening laat, 'ruim ƒ 61.000 meer op dan in 1876. Overigens kan zelfs niet worden beweerd, dat de toeneming van de opbrengst wegens het vervoer van materialen als van geheel tjjdelijken aard is te beschouwen. Het behoeft toch geen betoog dat voor de Maatschappij het vooruitzigt bestond, dat het gewone verkeer op hare lijn na de voltooijing van de Staatswerken eene nog veel belangrijker uitbreiding van Wijvenden aard zou ondergaan.

III. Nadere opheldering wordt verlangd van eene zinsnede op blz. 2 der Memorie van Toelichting, waarin met enkele woorden wordt aangeduid dat de Regering de koopsom door middel van eene Staatsleening denkt te verkrijgen, en dat de rentebetaling en aflossing, voor zooveel de geleende fondsen ten bate van Nederlandsch-Indië komen, 'zouden zijn te vergoeden uit de Indische geldmiddelen aan die van den Staat.

Het is de ondergeteekende geen oogenblik in de gedachte gekomen, dat deze eenvoudige mededeeling kon worden beschouwd als het uitspreken van het beginsel der scheiding van de Nederlandsche en Indische geldmiddelen. Met de quaestie der financiële verhouding tusschen Nederland en Indië is deze zaak niet door de Regering in verband gebragt. De aangegeven handelwijze is het natuurlijk gevolg van het beginsel, dat voor Nederlandsch-Indië eene afzonderlijke begrooting wordt vastgesteld. Daaruit vloeit voort dat uitgaven die uitsluitend ten behoeve van Nederlandsch-Indië gedaan worden, ook ten laste van de Indische begrooting worden gebragt. Te regt wordt dan ook in het Voorloopig Verslag herin; nerd, dat het voornemen der Regering tot niets anders leidt dan tot een restitutiepost, van gelijken aard als al de andere restitutieposten die steeds op de Indische begrooting voorkomen. De ondergeteekende moet nog opmerken, dat dit punt bij de behandeling van het aanhangig wetsontwerp niet aan de orde behoeft gesteld te worden. De Regering kan niet nalaten te kennen te geven op welke wijze zij zich voorstelde de uitgaven, die uit den aankoop van de lijn voortvloeijen, te bestrijden. Maar de wetge-

Sluiten