Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Minister van Koloniën vermeent *) als grondslag voor de berekening van het kapitaal waarvan % per duizend in de schatkist moet worden gestort, te mogen nemen de bij art. 73 en 74 der concessie vermelde som van ƒ 14 millioen, terwijl wanneer later mogt blijken dat de som, die voor den aanleg van den spoorweg en van zijne aanhoorigheden is besteed werkelijk hooger of lager was dan ƒ 14 millioen, het daaruit te ontstane verschil verrekend kan worden by de vaststelling der algemeene rekening,. ingevolge art. 78 der concessie door de Maatschappij aan te leggen.

Volgens den aangenomen grondslag zou de Maatschappij over het jaar 1864 wegens kosten van toezigt te kwijten hebben een bedrag (maximum) van ƒ 10.500.—

Blijkens de vorenstaande aantooning wordt voorloopig noodig

geacht v » 31.080.—

Verschil .... ƒ 20.580.— Buitendien zal de Hoofd-Ingenieur Dixon in het genot moeten bly'veh van de hem blijkens het besluit van 16 Mei 1863 No. 21 toegekende vaste indemniteit voor reis- en verblijfkosten ad ƒ 250.— 's maands.

De indienstelling van eenen tweeden Ingenieur die bij ziekte of afwezigheid van den Hoofd-Ingenieur in zijne plaats optreedt, en tevens dienst doet als Chef van het bureau is dringend noodig.

Een Ingenieur werktuigkundige in ambulante dienst, een teekenaar en een oppasser of boodschapper zijn zeker onmisbaar, terwy'1 eene som van ƒ 80.— voor eenen schryver niet te hoog gesteld is, evenmin als het bedrag van ƒ 200.— 's maands voor bureauhuur en schrijf- en bureaubehoeften.

Voor een behoorlijk toezigt wordt een opzigter op elke 50 kilometers spoorlengte ook hoogst noodig geacht, zoodat niets meer wordt aangevraagd dan werkelijk strikt noodig is.

Aap den Ingenieur in ambulante dienst en aan de opzigters zullen vaste indemniteiten voor reis- en verblijfkosten dienen te worden toegekend, die respectievelijk op ƒ 150.— en ƒ 75.— 's maands kunnen worden gesteld.

De overige ambtenaren zullen by' reizen in commissie worden gedefroyeerd overeenkomstig de van kracht zijnde bepalingen.

Het toezigt van staatswege uit te oefenen op den aanleg en de exploitatie van reeds geconcessionneerde spoorwegen zal by' eene afzonderlijke instruktie dienen te worden geregeld.

Zooals ik reeds hiervoren heb opgemerkt acht ik het noodig dat eerst en vooraf worde vastgesteld de instruktie volgens welke zal worden uitgeoefend het toezigt van regeringswege op den aanleg en de exploitatie van den spoorweg Samarang langs Soerakarta naar Djokjokarta.

i) Vide Indisch besluit dd. 1 November 1864 No. 52.—

Sluiten