Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ƒ 1000.—; voorts met verbetering van het vonnis voor zoover betreft de beslissing ten aanzien van het sub 1 ten laste gelegde de beklaagden A. Olthans, A. J. Pool en J. J. M. Everts zal schuldig verklaren respectivelyk aan drie, twee en twee overtredingen van art. 42 van het alg. spoorwegreglt. in N. I. (stbl. 1866 No. 132) en bovendien elk hunner aan 18 overtredingen van 'art. 37, 38 en 39 van het Gouvernements besluit dd. 27 Maart 1864 No. 1, houdende voorwaarden waarop concessie is verleend voor den aanleg van een spoorweg van Batavia naar Buitenzorg in verband tot de le alina van art. 213 van bovenvermeld spoorweg-reglement; — met vernietiging van het vonnis voor zooveel betreft de beslissing ten aanzien van het sub 2 te laste gelegde, de beklaagden Oltmans, Pool en Everts vd. zal schuldig verklaren aan 9 overtredingen van art. 67 van meergemeld reglt., — met gedeeltelijke verbetering en gedeeltelijke vernietiging van het vonnis voor zooveel betreft de beslissing ten aanzien van het sub III bij le, 2e en 3e ten laste gelegde, de beklaagden Oltmans, Pool en Everts zal schuldig verklaren aan 7 overtredingen van art. 79 van hetzelfde reglt., deze beklaagden ter zake van de bovenvermelde overtredingen zal veroordeelen: den beklaagde Oltmans tot 3 en de beklaagden Pool en Everts tot 2 geldboeten van ƒ 1000.— en voorts nog elk dezer drie beklaagden tot 34 geldboeten van ƒ 100.— met bepaling dat deze boeten invorderbaar zullen zijn bij lijfsdwang gedurende een maand voor elke verschuldigde f 200.—; met veroordeeling nog van de beklaagden ook in de kosten door het appel veroorzaakt;

Nog gehoord enz.;

Gezien de stukken;

Overwegende ten aanzien van dé aan den beklaagde P. J. Eussen, ten laste gelegde feiten:

dat bjj art. 403 reglement op de strafv. is bepaald, dat alle vervolgingen ter zake van overtredingen, uitgezonderd die tegen de reglementen en keuren van politie, vervallen door verloop van drie jaren en zulks, naarvolgens het voorschrift vervat in art. 402 ibidem, van het oogenblik dat de overtreding is bedreven, of, ingeval van vervolging van het oogenblik der laatste geregtelijke akte;

Overwegende dat door het O. M. bij zijn requisitoir van dagvaarding in eersten aanleg is geposeerd, en mitsdien als vaststaande moet worden beschouwd, dat de beklaagde van af 17 April tot 3 December 1877 was bestuurder der Ned. Ind. Spoorwegmaatschappij, en hieruit volgt, dat de hem ten laste gelegde feiten door hem kunnen zijn gepleegd gedurende het zooeven genoemd tijdsverloop, en wel uiterlijk op den laatsten dag daarvan, zijnde de 3 December 1877;

Overwegende dat vermits nu de beklaagde bij requisitoir dd. 22 Maart 1881 — beteekend bij akte van 5 April daaraanvolgende — is gedagvaard, de vervolging ter zake in dat requisitoir omschreven ook op dezen laatsten datum moet geacht worden te zijn aangevangen, zoodat sedert den 4den

Sluiten