Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat toch bij art. 213 van het algemeen reglement voor de spoorwegdiensten in N. L in het algemeen straf is bedreigd tegen de bestuurders eener spoorwegdienst, die zich aan de daarbij omschreven feiten schuldig maken, maar niet tegen hen gezamentlijk zoodat aan ieder der bestuurders voor elke door hen gepleegde overtreding, de daartegen bedreigde straf moet worden opgelegd;

dat hiertegen niet obsteert het bepaalde bij het eerste lid van art. 215 van hetzelfde reglement, vermits uit de aansprakelijkheid der bestuurders ieder voor het geheel der opgelegde boeten geenszins kan worden afgeleid, dat nu ook voor elke door hen gepleegde overtreding slechts één boete aan hen gezamenlijk zou mogen of moeten worden opgelegd, — welke opvatting veeleer wordt gewraakt door de bepaling der 2e en 3e alinea van hetzelfde artikel;

Overwegende met betrekking tot de hoegrootheid der op te leggen boete, dat het Hof, zich vereenigende met hetgeen dienaangaande door den eersten regter is overwogen, voldoende termëh aanwezig vindt om het bedrag dier boeten niet te hoog te stellen: *)

Overwegende ten slotte dat, ter vermijding van verwarring en ter verduidelijking van 's Hofs opvattingen, het doelmatig is voorgekomen het dictum van het vonnis a quo, voor zoover het geene vrijspraak bevat, geheel op nieuw te construeren;

Gezien, behalve de reeds aangehaalde wettelijke bepalingen, art. 215, 228, 56 en 60 van het algemeen reglement voor de spoorwegdiensten staatsblad 1866 No. 132, benevens art. 349, 354 en 411 strafvordering:

Regtdoende.

Doet te niet het vonnis door den raad van justitie te Batavia (He Kamer) op 14 Mei 1881 tegeh de in hoofde dezes genoemde beklaagden gewezen, voor zoover het geene vrijspraak bevat;

En op nieuw regtdoende in hooger beroep:

Verstaat eerst en vooraf dat het regt tot strafvervolging tegen den beklaagde P. J. Eussen tijdens de beteekening van het requisitoir van dagvaarding in eersten aanleg door verjaring was vervallen;

Verklaart op dien grond het O. M. niet-ontvankelijk met zijne tegen dien beklaagde aangevangen strafvervolging;

Verklaart verder de beklaagden A. Oltmans, A. J. Pool en J. J. M. Everts, bestuurders van de Ned. Ind. spoorwegmaatschappij en als zoodanig tevens bestuurders van de spoorwegdienst Batavia-Buitenzorg, schuldig:

i) De Raad overwoog dat Bestuurders blijkbaar te goeder trouw aangaande hunne bevoegdheid in dwaling hadden verkeerd.

Sluiten