Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

thograaf, wiens diensten wel altijd zullen noodig zijn.

Bij mijn voorstel van den-12 Februari 1887 No. 12 (Gehèim) wees ik er reeds op dat eene formatie van het personeel van den aanleg geen zin heeft, en slechts dan bestaanbaar is, wanneer zy zooals thans het geval is, zoo groot genomen wordt, dat zy op een maximum tegelijk onderhanden werken berekend is.

Bn' de bespreking, die ik met den Inspecteur Generaal had, was deze het geheel met mij eens dat de formatie kon worden ingetrokken, en het thans door hem geopperde bezwaar is geheel denkbeeldig, aangezien bn' de begrootingen der aanlegwerken en bij de voorwaarden waarop het daarvoor noodige personeel in dienst genomen wordt op de positie en de vooruitzichten van dat personeel kan gerekend worden.

Ik vind het echter in elk opzicht in 's Lands belang dat zooveel mogelijk ingenieurs van den Waterstaat en de Burgerlijke Openbare Werken, zoo noodig met eene toelage bij den aanleg van spoorwegen werkzaam gesteld en gedurende dien tijd a la suite van hun corps gevoerd worden, waardoor men langzamerhand het aantal practische spoorwegtechnici vermeerdert en afzonderlijk spoorwegpersoneel geheel ontberen kan.

15. Omtrent het personeel van den aanleg der Staatsspoorwegen wordt door den Directeur voorgesteld de tegenwoordige formatie in te trekken en de talrijkheid van het personeel te regelen naar de begrooting.

In beginsel is tegen dit laatste geen bezwaar, ofschoon het ook geen voorr deel geeft, want de bestaande formatie beveelt geenszins het personeel daarnaar in dienst te houden, doch bepaalt uitdrukkelijk dat daarvan niet meer in dienst zal moeten worden gehouden, dan voor de uitvoering der werken noodig is.

Wordt de formatie ingetrokken, dan ontstaat daardoor echter het bezwaar, dat geen enkele maatstaf meer bestaat voor de bevordering van het personeel. Het is duidelijk dat men die niet van de begrooting kan laten afhangen, terwijl aan de andere zijde het personeel van 's Lands dienst aanspraak heeft op geleidelijke bevordering.

De intrekking der formatie van het aanlegpersoneel zal dus gepaard moeten gaan met eene nieuwe regeling van de positie van dat personeel en wel in dier voege, dat het aantal rangen werd beperkt nl: hoofd-ingenieurs, ingenieurs en adjunct-ingenieurs, bouwkundige ambtenaren en werktuigkundige ambtenaren, opzichters en onderopzichters. Voor elk dier rangen zouden de tractementen met periodieke verhoogingen moeten worden vastgesteld, terwijl eene regeling zou noodig zijn om te bepalen in welke verhouding de verschillende rangen kunnen worden vervuld.

Men verkrijgt daardoor het voordeel dat men altijd de beste ambtenaren aan

Sluiten