Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier bestaat bij den Inspecteur Generaal eene verkeerde opvatting. De bedoelde Ingenieur 2e klasse moet wel degelijk voor de afdeeling toegestaan worden, doch hij wordt natuurlijk uit het aanlegpersoneel of uit dat der Burgerlijke Openbare Werken gedetacheerd, zoodat hij op zijne beurt bevordering kan maken.

Ik acht het voorshands onnoodig de bezoldigingen hooger te stellen dan die welke de Ingenieurs van het stoomwezen thans genieten; en het moet overigens wel bevreemden, dat de Inspecteur Generaal thans zooveel hoogere bezoldigingen noodig acht, terwijl hn', blijkens zijn voorstel van den 15 April 1886 No. 1594, eene bezoldiging van ƒ 600.— ƒ 700.— voor den Chef van het toezicht op de bijzondere spoorwegdiensten en eene som van ƒ 450.— tot ƒ 550 voor den eenigen Inspecteur van het rollend materieel voldoende achtte.

Wanneer de door mij voorgestelde regeling haar beslag gekregen heeft en ik daardoor de gelegenheid heb erlangd om met den gang van zaken bij- en de

het werk zal kunnen houden en dat men aan die ambtenaren, waarvan de meesten in vasten dienst zijn de gelegenheid kan geven hun diensttijd te volbrengen.

16. Uit het aanleg-personeel zal steeds voldoende voorzien kunnen worden in de behoefte aan ingenieurs bij de afdeeling „Spoor- en tramwegen" en bij den dienst der Staatsspoorwegen. De door den Directeur voorgestelde Ingenieur 2e klasse behoeft daarom niet voor vast in de formatie te worden opgenomen, hetgeen bovendien het voor.deel heeft, dat men daar niet een ambtenaar plaatst die eigenlijk niet tot een corps behoort en die dus van alle bevordering zou zijn uitgesloten, zooals het geval is met den door den Directeur voorgestelden ingenieur der 2e klasse.

17. Het personeel voor de uitoefening van het toezicht op de spoorwegdiensten (en het stoomwezen) zal volgens de voorstellen van den Directeur bestaan uit werktuigkundige ingenieurs met den titel van „Inspecteur der spoorwegdiensten".

In hoofdzaak kan ik mij daarmede wel vereenigen, doch het komt mij voor dat men beter doet den titel van „Inspecteur" niet te geven aan eenen ambtenaar met eene geringe bezoldiging als ƒ 325.— 's maands.

Daarbij schijnt het dat het eene grove onbillijkheid zou zijn om aan die inspecteurs, wanneer zij hun werk behoorlijk verrichten, de gelegenheid te ontnemen om in den loop van jaren dezelfde bezolding te erlangen als collega's van gelijken rang bij andere onderdeelen van 's Lands dienst.

Te meer zou ik dit onbillijk achten omdat voor het verkrijgen van het di-

Sluiten