Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 11. Maken zij gebruik van de hun bij het laatste lid van art. 28 van het Algemeen Reglement voor de spoorwegdiensten gegeven bevoegdheid om het gebruik van bepaalde locomotieven, rijtuigen, of wagens, of het vertrekken van treinen te verbieden, dan geven zij van dit verbod aan den Directeur der Burgerlijke Openbare Werken en aan den met het dagelyksch toezicht over den weg belasten opziener kennis.

i

Art. 12. Vordert de openbare veiligheid het dadelijk staken van den dienst, hetzij over den geheelen weg, hetzij over een gedeelte daarvan, dan geven zij, overeenkomstig het laatste lid van art. 28 van het Algemeen Reglement voor de spoorwegdiensten, daartoe het beval en doen van dit bevel mededeeling aan de bestuurders van den spoorwegdienst, aan den Directeur der Burgerlijke Openbare Werken en aan den met het dagelijksch toezicht over den weg belasten opziener.

Art. 13. Zy maken proces-verbaal op van de overtredingen der in art. 4 genoemde Algemeene Reglementen en van andere verordeningen betreffende de spoorwegdiensten of van de afwijkingen der voorwaarden, waarop vergunning tot uitoefening van den dienst is verleend, en zenden die processen-verbaal aan de bij art. 233 van het Algemeen Reglement voor de spoorwegdiensten aangewezen ambtenaren.

Een dubbel wordt, met de vereischte toelichtingen, aan den Directeur der Burgerlyke Openbare Werken gezonden.

Art. 14. Zy zorgen dat de hun ondergeschikte opzieners bekend zyn met en voorzien zyn van een exemplaar van het Algemeen Reglement voor de spoorwegdiensten en zoo noodig» van het Algemeen Reglement voor den dienst en het vervoer op de secundaire spoorwegen, zoomede van de voorwaarden, waarop de vergunning is verleend tot het aanleggen en exploiteeren van den spoorweg, waarover hun het toezicht is opgedragen, en voorzien in geval Van ziekte of afwezigheid van een opziener, zooveel mogelijk in zyn dienst.

Art. 15. Van het onderzoek, bedoeld in de art. 4 en 86 van het Algemeen Reglement voor de spoorwegdiensten, en in art. 45 van het Algemeen Reglement voor den dienst en het vervoer op de secundaire spoorwegen, maken zy proces-verbaal op, waarin wordt vermeld:

ten aanzien van nieuwe locomotieven, tenders, rijtuigen en wagens, of het gebruik er van al dan niet kan worden toegestaan;

ten aanzien van herstelde locomotieven, tenders, rijtuigen en wagens, welke herstellingen hebben plaats gehad, en of deze al dan niet zoodanig zyn verricht, dat het gebruik van het herstelde materieel kan worden toegestaan.

Sluiten