Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 26. Indien het toezicht op den spoorweg of het bedienen der seinen niet naar behooren geschiedt, geven zij daarvan schriftelijk kennis aan den beambte van den spoorwegdienst, die volgens de dienstreglementen met het toezicht op den weg en de seinen is belast, en zenden zij een afschrift dier kennisgeving aan den Inspecteur.

Art. 27. Ontdekken zij gebreken aan de middelen van vervoer van den spoorwegdienst, dan geven zij daarvan schriftelijk kennis aan den beambte van den spoorwegdienst, wien het, volgens de dienstreglementen aangaat, en zenden afschrift van die kennisgeving aan den Inspecteur.

Art. 28. Blijkt hun dat eenig beambte of bediende van den spoorwegdienst ongeschikt voor zijne betrekking is, dan berichten zij daaromtrent schriftelijk en omstandig aan den Inspecteur.

Art. 29. Indien in de gevallen, in de voorgaande artikelen voorzien, gevaar voor de veiligheid van den trein is te vreezen, dan geven zij, zoowel aan den beambte van den spoorwegdienst, wien het aangaat, als aan den Inspecteur onmiddellijk schriftelijk kennis van hetgeen ter voorziening behoort gedaan te worden.

Art. 30. Van de schriftelijke kennisgevingen, die zij krachtens art. 28 van het Algemeen Reglement voor de spoorwegdiensten aan de bestuurders van den spoorwegdienst doen, wordt door hen onmiddellijk aan den Inspecteur mededeeling gedaan. Zonder voorkennis van dezen geven zij aan die bestuurders geene bevelen, waaruit kosten voor den Staat kunnen voortvloeien.

Art. 31. Vordert de openbare veiligheid het dadelijk staken van den dienst, hetzij over geheelen weg, hetzij over een gedeelte daarvan, en is er geen gelegenheid of tijd zich daaromtrent met den Inspecteur te beraden, dan geven zij, overeenkomstig het laatste lid van art. 28 van het Algemeen Reglement voor de spoorwegdiensten, het bevel tot staking, en doen daarvan aan de bestuurders van den spoorwegdienst en aan den Inspecteur mededeeling.

Art. 32. Maken zij gebruik van de hun, bij het laatste lid van art. 28 van het Algemeen Reglement voor de spoorwegdiensten, gegeven bevoegdheid om het gebruik van bepaalde locomotieven, rijtuigen of wagens of het vertrekken van treinen te verbieden, dan geven zij van dat verbod zoo spoedig mogelijk kennis aan den Inspecteur.

Sluiten