Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

') Hier werd niet in verband

„testuren der maatschappijen. De hoofdambtenaren moeien hun tijd en werkkracht, die onverdeeld aan de alge„meene bedrijfsleiding gewijd behoorden te worden, besteden aan het ontleden dezer klachten, terwijl aan de „hoogere ambtenaren op de lijnen, die de aangewezen personen zouden zijn voor eene grootendeels zelfstandige „behandeling der personeelzaken, geen beslissing kan „worden gelaten. Laatstbedoelde ambtenaren verliezen „daardoor de opgewektheid om zich ernstig met de perso„neelbelangen bezig te houden en tevens het bh' de spoorwegexploitatie onmisbare prestige bij het lagere personeel.

„Ook wordt dit personeel niet het meest gebaat door „regelingen, die uitsluitend van bovenaf worden vastgesteld en niet zonder groote vertraging met de wisselende „eischen van tijd en plaats in overeenstemming kunnen „worden gehouden. De gewenschte geest van tevredenheid „en opgewektheid bij het personeel kan langs den weg „dezer centralisatie niet bereikt worden.

„Uit een geldelijk oogpunt moet het van Staatswege „vaststellen van regelen voor de dienstvoorwaarden en de „dienst- en rusttijden x) van het personeel der spoorwegmaatschappijen leiden tot onnoodige opdrijving van uit„gaven. Daar niet voldoende rekening kan worden gehouden met eiken bijzonderen toestand, zal nien ter vermjj, „ding van klachten bh' het stellen van algemeene regelen „voor de loonen, de dienst- en rusttijden en de overige „dienstvoorwaarden dikwijls te ver gaan.

„In verband met deze bezwaren, welke vrij algemeen „door de Commissie werden gedeeld, werd het denkbeeld „overwogen, of op deze regeling niet ten deele zou kun„nen worden teruggekomen, in dien zin dat de Staat, „thans de in 1903 aanvaarde verplichting, om aan het „spoorwegpersoneel goede dienstvoorwaarden te bezorgen, „vervuld achtende, zich verder — behoudens de overheids„zorg voor de veiligheid van het verkeer — met een regressief toezicht tot wering van misbruiken zou tevreden „stellen.

„Voor deze beschouwing moge in theorie veel pleiten, de „Staatscommissie meent echter niet te mogen verwachten, „dat het in 1903 ingenomen standpunt voorshands zal worden prijsgegeven".

bedoeld de regeling der dienst- en rusttijden naar overwegingen, die staan met de belangen van den dienst.

Sluiten