Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 18. Inlichtingen. 1) De ambtenaren en beambten van den in artikel 16 bedoelden dienst van het toezicht zn'n, ieder voor zooveel betreft de tramwegen waarover hem het toezicht is opgedragen bevoegd mededeeling te vragen van alle inlichtingen en opgaven betreffende den dienst en van alle plans, teekeningen, overeenkomsten en verdere bescheiden, den dienst of het vervoer betreffende.

2) De bestuurders van de tramwegdiensten en hun personeel voldoen, zooveel elk aangaat, terstond aan die aanvraag.

3) Inlichtingen, op het geldelijk beheer betrekking hebbende, worden slechts gevraagd en verstrekt, indien en voor zooveel toezicht op dat geldelijk beheer bij de concessievoorwaarden is voorbehouden en de uitoefening daarvan aan de betrokken ambtenaren is opgedragen.

Art. 19. Kennisgevingen aan bestuurders. 1) Het hoofd van dienst van het toezicht en de ambtenaren, onder hem met het dagelijksche toezicht belast, geven schriftelijk kennis aan de bestuurders van den tramwegdienst van hetgeen naar hun oordeel voor de veilige en behoorlijke uitoefening van den dienst behoort te worden gedaan.

2) Zy roepen, zoo de bestuurders daaraan geen behoorlijk gevolg geven, de beslissing Van den directeur van Gouvernementsbedrijven in.

3) Deze beslissing kan ook door de bestuurders worden ingeroepen, wanneer zij tegen hetgeen hun aanbevolen werd bezwaar hebben.

4) Bij onmiddellyk gevaar kan het hoofd van den dienst van het toezicht of de directeur van Gouvernementsbedryven last geven tot onverwijlde voorziening, niettegenstaande het beroep.

5) Geene eindbeslissing wordt genomen dan nadat de bestuurders zijn gehoord of hun gelegenheid is gegeven hunne bezwaren toe te lichten.

Art. 20. Uitvoering van noodig gebleken voorzieningen. 1) Aan de beslissing van den directeur van Gouvernementsbedryven wordt binnen den daarby te stellen termyn door de bestuurders voldaan.

2) Geschiedt dit niet, dan kan die directeur staking van den dienst bevelen, of, zoo de beslissing betrekking had op rollend materieel, het gebruik van dat materieel verbieden en zoo noodig beletten.

3) Bovendien is genoemde directeur in zoodanig geval bevoegd de voor de veilige en behoorlyke uitoefening van den dienst noodzakelyk geachte voorzieningen op kosten van de ondernemers van den tramwegdienst te doen uitvoeren en zich tot dat einde in het bezit te stellen van voor die uitvoering benoodigde, aan de ondernemers behoorende voorwerpen.

4) De krachtens het derde lid gedane uitgaven zyn bevoorrechte inschulden op al de roerende en onroerende goederen van de ondernemers.

Sluiten