Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Wet van 20 Juni 1913 (Stbl. n<>. 292) niet meer dan drie ordinaire krijgsraden.

En ware het destijds nu niet aanbevelenswaardig geweest eene noodwet in het leven te roepen, welke de gelegenheid opende voor zoolang oorlogsgevaar aanwezig was, in den zin zooals dat woord in 's Lands wetten voorkomt, bij Kon. besluit, naarmate van de behoeften van de gemobiliseerde krijgsmacht, nieuwe krijgsraden krijgsraden te velde (krijgsraden verbonden aan het commando van hoogere tactische eenheden; art. 234 R.L.) en territoriale krijgsraden (temporaire en ordinaire krijgsraden; artt. 261 en 134 R.L.) — in te stellen?

Het zou te ver voeren hier te treden in eene technische, mihtairjuridische gedachtenwisseling betreffende de verschillende wijzen, waarop aan eene dergelijke elastische noodwet uitvoering gegeven zou kunnen zijn. .

Bovendien, in onze militaire litteratuur is de militair-rechterlijke organisatie met het oog op oorlogstijd herhaalde malen besproken, en zeer lezenswaardige opstellen hieromtrent van de hand van Mr. Thöne, gewezen auditeur-militair, en van den Eerste-Luitenant der Infanterie Van Lokhorst, die eindigt met uit te roepen: „Er is periculum in mora!", zijn nog niet lang geleden verschenen in het MilitairRechtelijk Tijdschrift.

Een enkele opmerking, vooral naar aanleiding van het opstel van den Heer Van Lokhorst. .1'

Het wil mij namelijk voorkomen dat de geachte schrijver niet heelemaal buiten beschouwing had mogen laten het zeer wel denkbare geval, dat het onoverkomelijk werd geacht reeds vóór den oorlog onvermijdelijk zou zijn, krijgsraden te velde, ook al werd het fiat executie buiten werking gesteld, en temporaire krijgsraden in te stellen, waar deze krijgsraden door hunne samenstelling minder waarborgen voor eene goede rechtspraak schenken dan de ordinaire krijgsraden van de Wet van 31 October 1912 (Stbl. n<>. 337)l). In evenbedoeld geval zou men zich wel moeten beperken tot vermeerdering van het aantal ordinaire territoriale krijgsraden; c.q. waren ook deze nieuwe krijgsraden, met inachtneming van de legerdislocatie, te vestigen in plaatsen, waar arrondissements-rechtbanken zijn (b.v. te Middelburg, Breda, Utrecht, Amsterdam en Assen).

Vermeerdering van het aantal krijgsraden, van welke soort en m welke combinatie dan ook, zou het groote nadeel meebrengen, dat betrekkelijk vele beroepsofficieren alweer aan den frontdienst onttrokken werden. 2) Hiervoor ware evenwel niet uit den weg te gaan, waar het belang van de krijgstucht zoo duidelijk sprak. Bovendien door eene eenvoudige wijziging van art. 123 Regtspleging bij de

i) Vóór het in werking treden dezer wet — alzoo vóór 20 December 1913 — waren de krijgsraden te velde en de temporaire krijgsraden op de zeilde wijze samengesteld als de ordinaire krijgsraden. lnno . ■■ , , , ,

*) En hoe dan wanneer de oorlog uitgebroken was?. In 1908 bestond net voornemen het aantal hoofdofficieren uit te breiden mede ra verband met de bezetting van de krijgsraden in oorlogstijd. (Oorlogsbegrootmg 1908).

Sluiten