Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Landmagt zouden niet alleen juristen-verlofsofficieren, maar ook verlofsofficieren voortgekomen uit de categorie beroepsofficieren, deel kunnen nemen aan de rechtspraak.

De medewerking van gepenaionneerden ware, onder zekere voorwaarden uit te breiden, waaraan ik evenwel al dadelijk toevoeg, dat Mr. Van Slooten, zij het in vragen den vorm en onder verwijzing naar het bekende betoog van den Generaal Koolemans Beijnen ter Juristen vergadering van 1900, m.i. duidelijk heeft doen uitkomen, dat in het algemeen krijgsraden, geheel samengesteld uit gepensionneerden, niet zonder bedenking waren te aanvaarden.

Officieren in aanmerking komende voor de vervulling vanmilitairrechterlgke functiën waren als regel in actieven dienst te hei-stellen, en in ieder geval behooren zij, gepensionneerd of niet, in uniform gekleed te zijn, wanneer zij in functie zijn.

Waren in het leger juristen-verlofsofficieren, die — mede gelet op leeftijd — alleszins in aanmerking zouden kunnen komen om bijzondere militair-rechterlijke functiën naar den eisch waar te nemen, in voldoend aantal aanwezig? Ik betwijfel dit zeer, doch m.i. zou bij werkebjjk ruime bezoldiging van tijdelijk te benoemen ambtenaren het tekort wel aan te vullen zijn geweest.

Wijlen Luitenant-Generaal Sabron, wiens nagelaten woord in en buiten het leger nog steeds een groot gezag heeft, schreef in 1915:

„De militaire justitie, wier bestaan voor het in stand houden van „de discipline onmisbaar is, moge steeds indachtig zijn aan de „noodzakelijkheid om den bevelhebbers, die verantwoordelijk zijn „voor , het onderhouden der krijgstucht, den onmisbaren steun te „geven, dien zjj voor het dragen dier verantwoordelijkheid behoeven."

Volkomen juist; maar de militaire justitie moet dan ook instaat gesteld worden hare taak naar den eisch te vervullen.

Dank zij eene uitstekende voorbereiding is in 1914 de mobilisatie van het leger schitterend van stapel gelooperh Dat aan de voorbereiding van de mobilisatie van de militair-rechterlijke macht aanmerkeljjk minder aandacht is geschonken dan aan die van het leger zelf, is gewis voor een deel te wijten aan de omstandigheid, dat de militaire justitie het bedenkelijk voorrecht heeft te ressorteeren onder drie, zegge drie, Departementen.

Teneinde elke misvatting te voorkomen, wil ik dit gedeelte mijner rede sluiten met er aan te herinneren, dat — wij allen hebben het in de couranten kunnen lezen J) — tijdens de mobilisatie door hoogerhand bijzondere maatregelen zijn getroffen, opdat bij het uitbreken van den krijg onmiddellijk krijgsraden te velde in functie konden treden.

Op blz. 10 schrijft Mr. van Slooten fijn schertsend:

„In ieder geval, de officieren, tevens geboren juristen, werden

„voorgesteld als enz.".

Geboren juristen!

l) In Juni 1916 werden gep. officieren opgeroepen om c.q. als voorzitters van krijgsraden te velde op te treden; z#'zouden in activiteit hersteld worden.

Sluiten