Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe menigmaal zijn uit het leger stemmen opgegaan, die nadrukkelijk wezen op de noodzakelijkheid, den officieren de gelegenheid te openen een rechtscursus, in welken vorm dan ook, te volgen!

Mr. Rollin Couquerque heeft op 17 Oct. 1916, bij de opening van zijn colleges als lector in het militair straf- en procesrecht ons in een kort bestek, doch desniettemin op heldere en boeiende wjjze voor den geest teruggeroepen de lijdensgeschiedenis van de hoogere militair-rechtelijke opleiding van officieren, behoorende tot de landmacht. Ware het Kon. besluit van 10 Mei 1905, no. 9, tot uitvoerffig gekomen, dan zou het leger in 1914 wellicht een 70-tal officieren geteld hebben, die eene bjjzondere studie hadden gemaakt van het strafrecht. Na de intrekking van het Kon. besluit — de aangevraagde gelden waren door de Tweede Kamer geschrapt — is eene commissie benoemd, bestaande uit den Majoor Collette, voorzitter, en de Heeren van Dijk, leeraar in het militair strafrecht aan de Kon. Mil. Academie, en Mr. Wolterbeék Muller, met de opdracht een „Leidraad" samen te stellen, ten behoeve van officieren,, die, in afwachting van nadere voorziening, door eigen studie zich wenschten te bekwamen voor de vervulling van militair-rechterlijke functiën. Mr. Rollin Couquerque en Mr. Dr. Eigeman verklaarden zich geheel belangloos bereid de officieren bij die eigen studie voorlichting te geven.

Op een eenvoudig persbericht betreffende de werkzaamheid der commissie gaven zich reeds betrekkelijk vele officieren op, die van de aangeboden hulp wenschten gebruik te maken, en zulks ondanks dat aan het met goeden uitslag afleggen van een ontworpen eindexamenprogramma, geen gratificatie, zooals bij de Marine het geval is, was verbonden. Na de instelling van het lectoraat in het militair straf- en tuchtrecht te Amsterdam blijve de „Leidraad", naast zoovele andere voldragen en önvoldragen geesteskinderen, begraven onder het Departementale archiefstof.

In het mobilisatie-tijdperk is gewis al zeer overtuigend gebleken, dat het leger moet kunnen beschikken over goede juridische krachten, te recruteeren uit beroeps- en verlofsofficieren, en ik denk thans niet uitsluitend aan de militaire rechtspraak, maar tevens aan de toepassing van de Oorlogswet en daarmee verband houdende wetten. Wat het laatste aangaat, vestig ik de aandacht op het artikel „De practijk der Oorlogswet en de gemeenten" (Gemeentebelangen, afl. 15 Juni en 1 Juli 1919) van de hand van den bij uitstek deskundige Mr. Dr. J. A. Eigeman, Hoogleeraar in de Staatswetenschappen aan de Hoogere Krijgsschool. Het „Militair Recht" omvat dan ook, aldus o.a. Dr. Lor enz von S'ein in zijne „Lehre vom Heerwesen , niet alleen het militair strafrecht, maar het geheele samenstel van wetten en bepalingen, welke zijn uitgevaardigd om bet leger, en hetgeen daartoe behoort, aan zijne bestemming te doen beantwoorden. De Landmacht heeft op het stuk van „hoogere mihtair-rechtehjke opleiding" veel in te halen; de Zeemacht is haar verre vooruit! De z g n. „ondermeesters" van de Marine, omtrent wier arbeid en kunde op militair strafrechtelijk gebied niet anders dan met veel

Sluiten