Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

militair-rechterlijke macht was voorbereid, en dat moeten wij aande* steeds elkander opvolgende regeeringen en ook aan den generalen staf wijten. Het militair strafrecht is altijd als bjjzaak behandeld. Voor forten werden millioenen aangevraagd en toegestaan, voor den geneeskundigen dienst konden afzonderlijke bevorderingswetten, studietoelagen en tractementen worden vastgesteld; maar enkele duizenden, om officieren aan te moedigen en in de gelegenheid te stellen, om zich op de studie van het militair strafrecht toe te leggen, , en zoo een kern te vormen van militair-juristen, zijn tot nog toe niet kunnen gevonden worden. Wie zich op die studie wilden toeleggen, moesten er zelf de kosten maar voor over hebben (hunne bezoldiging was daartoe ruim genoeg), en den tijd er voor maar weten te vinden, nadat, zij hun gewonen dienst hadden verricht. Ook vele militaire autoriteiten hebben het belang van die studie voor de officieren nooit voldoende ingezien, althans te weinig gedaan, om die in de hand te werken.

Nu er niets was voorbereid, had de instelling van krijgsraden te velde, die naar mijn inzien had moeten plaats hebben, er toe kunnen bijdragen, om de drie bestaande krijgsraden, die hadden moeten blijven functionneeren, van hun overkropte werkzaamheden eenigszins te ontlasten, en daardoor de militaire justitie sneller te doen werken. Wat Mr. van Slooten ons van die werkzaamheden, niet het minst van die der auditeurs-militair, heeft medegedeeld, is verbazend te noemen; en ik meen dat het hier niet misplaatst is, om het met een enkel woord uit te spreken, dat, hebben in het algemeen gedurende de afgeloopen vijf jaren marine en leger volop den dank der natie verdiend, in.'t bijzonder ook groote lof mag worden toegekend aan de mannen, die met ernst en toewijding — zij 'took bijna ongemerkt — hebben getracht, met onvoldoende middelen het werk der militaire justitie niet alleen gaande te houden, maar zoo goed mogelijk af te doen. ■

Omdat de tijd niet toelaat alle door de prae-adviseurs genoemde punten een voor een te behandelen, zal ik de vrijheid nemen, even voor te lezen, wat ik in 1883 omtrent de organisatie der krijgsraden in vredestijd en in geval van mobilisatie, in eene lezing in Krijgswetenschap heb in overweging gegeven. Daaruit mag blijken, m welke punten ik het met de gevoelens van de prae-adviseurs eens ben. Ik heb toen gezegd:

„Nu de divisie-indeeling van het leger vervallen is, zou ïkin elke militaire afdeéling, anders bij elke divisie, een krijgsraad wenschen, samengesteld uit 1 hoofdofficier, voorzitter en 3, 4, 5 of 6 kapiteins en luitenants leden, die minstens twee jaren die betrekking zouden waarnemen en gedurende dien tijd van alle diensten vrijgesteld znn. In de garnizoenen, waar die krijgsraden zitting hadden, zouden evenveel plaatsvervangende leden moeten worden benoemd, die bij afwezigheid der leden door ziekte als anderszins moeten optreden.

Deze leden en plaatsvervangende leden, genomen uit hen, die zich vrijwillig daartoe aaubieden en geschikt worden geacht, moeten

Sluiten