Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

garnizoenen is deze, zoolang de instructie duurt, vrij van dienst; in groote garnizoenen zou hij daarvan geheel vrijgesteld kunnen worden. Voor de instructie der misdrijven, door soldaten van de verschillende wapens gepleegd, wordt steeds dezelfde officier genomen, die in geen geval lid van den krijgsraad mag zijn. Hem wordt een tweede officier (dus nooit een auditeur-militair) bij toerbeurt te benoemen, als secretaris toegevoegd, die gedurende de dagen van instructie wordt vrijgesteld van dienst."

Men zal het wel niet als eigen loftuiting willen beschouwen, als ik beweer dat, wanneer men in 1883 begonnen was met eene soortgelijke organisatie in het leven te roepen, vele moeilijkheden, die zich thans hebben voorgedaan, uit den weg zouden geruimd zijn; vooral zou men over een groot aantal in de rechtspractijk geschoolde officieren hebben kunnen beschikken. Het denkbeeld van een rechtsgeleerden voorzitter van den krijgsraad was toen, naar ik meen, nog niet geuit. Na hetgeen ik uit de prae-adviezen gelezen heb, komt het mij voor, dat het een geluk geweest is, dat er in de afgeloopen vijf jaren rechtsgeleerde voorzitters, die in de gewone rechtspractijk thuis waren, in de krijgsraden zitting hadden.

Dat officieren-commissaris met hunne gebrekkige opleiding in het vervullen van hun taak zijn tekort geschoten, is geen wonder, als we lezen, dat een rechtsgeleerde, wanneer de twee jaar voorbij zijn, dat vak juist begint te leeren. Punt 6 van de wenschen van Mr. de Boer: „Vaste aanstelling van officieren-commissaris voor een bepaald ressort in vredes- en mobilisatietp, bij voorkeur uit de verlofsofficiéren-juristen met groot verlof te benoemen", kan daaraan tegemoetkomen. Indien hiertegen bezwaren zijn, zou in overweging kunnen genomen worden, of dien officieren niet het recht zou kunnen worden toegekend, zich een deskundige in het opsporen van misdrijven of in het uithooren van misdadigers toe te voegen. In elk geval moet men er voor zorgen, dat er officieren zijn, die rechtskundige opleiding hebben genoten, uit welke men de officierencommissaris kan kiezen.

Moeilijkheden hebben zich voorgedaan met de beschikking ter verwijzing. Ik heb' indertijd, bij de bespreking van kapitein van UijFs beschouwingen over de ontworpen wijziging van de „Regtspleging bij de Landmagt" in de vergadering van Krijgswetenschap van 28 Oct. 1904, gemeend, dat de bezwaren, door hem en kapitein Collette daartegen aangevoerd, te hoog waren aangeslagen. Naar 't blijkt was ik dienaangaande te optimistisch gestemd. Advies tot terugkeer naar het oude stelsel, naar de eenvoudige klacht en de quahficatie van het feit eerst door den auditeur-militair en door den krijgsraad, zal wel uit den booze worden geacht. Dan is er niets anders op, dan aan de verwijzende autoriteit, indien hij zelf de capaciteiten daartoe ontbeert, deskundige hulp toe te voegen. Een aantal vrijsprekingen, op grond van gebreken in de beschikking ter verwijzing, moet toch zooveel mogelijk vermeden worden.

Heb ik hierbij, een' gevoelen omtrent de hoofdzaken uitgesproken,

Sluiten