Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er zijn natuurlijk verschillende wegen, die naar Rome leiden. De wenschen van Mr. de Boer op blz. 59 van de prae-adviezen heb ik, toen ik ze naging, als volgt beantwoord:

1. uitdrukkelijke begrenzing der bevoegdheden van burger-- en militaire autoriteiten bij het politie-onderzoek en bij de instructie — ja;

2. toekenning van het recht van verwijzing aan commandanten van legereenheden — ja, minstens korpscommandanten of daarmede gelijkgestelden;

3. toekenning aan den officier-commissaris van de bevoegdheid om ook vóór de verwijzing te fungeeren — ja;

4. opheffing van de bewijskracht der voor den officier-commissaris afgelegde getuigenverklaringen — ja;

5. facultatiefstelling der instructie voor alle straf bare feiten —-ja;

6. vaste aanstelling van officieren-commissaris voor een bepaald ressort in vredes- en mobilisatietijd, bij voorkeur uit de verlofsofficierenjuristen met groot verlof te benoemen — ja;

7. overdracht der rechtsmacht ten aanzien van lichte misdrijven en overtredingen van de krijgsraden naar de officieren-commissaris' in mobilisatietijd — ja; maar die kan ook overgedragen worden, zooals in Frankrijk, a*n de militaire commandanten, indien men het beginsel maar vasthoudt van onze oorspronkelijke militaire strafwetten, dat militair-strafrecht en tucht één zijn, waarover straks nog een kort woord.

8. opheffing der gewone krijgsraden in oorlogstijd — neen: die moeten blijven met territoriale competentie voor de bezettingen, verlofgangers, dekkings-, bewakingstroepen, enz. die niet gerekend worden tot het leger te velde; de rest van dezen laatsten wensch: ja.

Ten slotte nog kort eenige speciale punten:

Moet uit de bedenkingen van Mr. van Slooten, waarbij hij' mij uit mijn tent roept, de gevolgtrekking worden gemaakt, dat, naar zijne meening de militaire rechter eigenlijk wel zou kunnen gemist worden? Moet dit tusschen de regels gelezen worden? Het heeft er eenigszins den schijn van; en als dit zoo gemeend is, blijf ik daartegenover mijn van ouds ingenomen standpunt handhaven. Dat de gep. ofBcieren in burger-kleeding hebben zitting genomen, acht ik bepaald verkeerd. Ik zou denken, dat, zoolang er een militaire rechter bestaat, hij in uniform moet fungeeren, en dat het op den weg van den voorzitter ligt hieraan de hand te houden. Wanneer die gep. ofBcieren zouden beweerd hebben, dat zij geen uniform meer hadden en dit toch niet uit eigen middelen behoefden aan te schaffen, dan had de Minister van Oorlog hen kunnen machtigen, om daarvoor eene declaratie in te dienen. Dat had toch van al die milliöenen wel kunnen worden afgenomen.

De militair moet in de rechtzaal den officier vinden als rechter. Zijn eigen officieren — zijn luitenants, zijn kapitein, zijn majoor enz. voeren hem aan in den strijd en kunnen niet tegelijkertijd in de rechtzaal zetelen; daar zitten andere officieren, en die erkent hij evenzeer als zijne meerderen; hij weet, dat wanneer die te eeniger

Sluiten