Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijven, terwijl ik hun wel het tegendeel kan bewijzen, namelijk dat de rechter in reclame-zaken evenzoo als strafrechter moet recht spreken, als in alle andere zaken. Vooraf zij er op gewezen, dat, waar wij gewoon zijn van reclame-zaken te* spreken, dit woord „reclame" in de wet niet voorkomt; de wet spreekt slechts van „de zaak".

Nu staan die artikelen in de eerste plaats in de „Regtspleging bij de landmagt" en die regtspleging handelt over niets anders dan over den krijgsraad en hoe deze recht spreekt. In die reclame-artikelen wordt ook niet anders gezegd, dan dat (art. 17) de gestrafte zal mogen verzoeken, dat de zaak door een krijgsraad worde onderzocht en art. 19: de krijgsraad zal vervolgens de zaak moeten onderzoeken. Niet staat er, dat de klacht moet worden onderzocht,' maar de zaak, d.i. zooals uit alle vorige artikels duidelijk is na te gaan het feit, waaraan de man zich heeft schuldig gemaakt.

Dit wat de lett* r van de wet betreft. Nu de geschiedenis. Die artikelen zijn nagenoeg letterlijk overgenomen uit het „Reglement van Krijgstucht of Crimineel Wetboek voor de Militie van den Staat" van 1799 en kunnen dus niet anders gelezen worden, dan zooals zij toen werden gelezen; en nu is altijd over het hoofd gezien, dat dit wetboek is samengesteld onder een grondwet, waarvan art. 299 voorschreef: „Zoodanige feiten, echter, die in den dienst en door den krijgsman alleen kunnen worden bedreven, worden aan garnizoens-krjjgsraden verwezen, die, op confessie, vonnis wijzen, zonder hooger beroep.

„De wet zal nader bepalen de gevallen, op welke deze . regel toepasselijk zij.

„Het Reglement van Krijgstucht bepaalt derzelver zamenstelling, vooral ten aanzien der Audifeuren-Militair en Fiskaals".

Volgens dit artikel moesten alle zaken, ook militaire tuchtzaken (want die stonden gelijk met militaire strafzaken) berecht worden door garnizoenskrijgsraden.

Het ontwerpen van dit „Reglement'van Krijgstucht", — zoo heette in de Grondwet het Militair Strafwetboek — werd opgedragen aan den geleerdsten Frieschen rechtsgeleerde van zijn tijd, Petrus Wierdsma, die, als auditeur-militair doorkneed was in de militaire rechtspractijk, en deze stond nu, wij zouden kunnen zeggen, voor de puzzle, om te voldoen aan dat voorschrift van de Grondwet (alle zaken te berechten door krijgsraden) en de hem bekende praktijk, volgens welke van oudsher de militaire commandanten de lichtere zaken beoordeelden en straften. Hoe heeft hij die puzzle opgelost?

Hij heeft in het strafwetboek een hoofdstuk den titeL gegeven van „Misdaaden tegen de Discipline" evenals andere hoofdstukken ten opschrift droegen „Misdaaden tegen de Subordinatie", „Misdaaden van Desertie", enz. Nu gaf hij den Militairen Commandanten het recht om de Misdaaden tegen de Discipline af te doen, maar om zich toch aan het voorschrift van de Grondwet le houden, kende hij den disciplinair gestrafte het recht toe, om wanneer hij zich over die straf (van den militairen commandant) bezwaard gevoelde, te ver-

Sluiten