Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoeken, dat zijn zaak, dat is het feit, waarvoor hij gestraft was, door een krijgsraad werd onderzocht, en die krijgsraad moest dat natuurlijk doen en deed dit ook op dezelfde wijze als waarop hij alle andere strafzaken onderzocht.

Volgéns de letter en de, geschiedenis der wet kunnen en mogen die artikelen niet anders gelezen worden. Toch worden ze anders gelezen, waarom weet ik niet en begrijp ik niet; want het aantal aanschrijvingen, zoowel hier te lande als in Indië op die artikelen gegeven, zooals ze moeten worden gelezen volgens de uitlegging van de beide Hooge Militaire Gerechtshoven, is legio en steeds veranderende ; terwijl' alle aanschrijvingen aanstonds konden worden geroyeerd, wanneer men de zeer duidelijke letter van de wet, die niet eens de geschiedenis ter ^verklaring noodig heeft, ging toepassen.

Militair strafrecht en militaire tucht zijn één. Dat Wetboek van Wierdsma heette dan ook: „Reglement van Krijgstucht of Crimineel Wetboek voor de Militie van den Staat."

Ja — zal men zeggen, dat is een stokpaardje van dien ouden generaal. Laat ik U daarom nog even den bekenden, grooten :Puitschen jurist Laband doen hooren, aan wien men toch wel eenige autoriteit zal willen toekennen: „Der Gegensatz besteht vielmehr, im Unterschied von dem Beambtendisciplinarrecht, nur darin, dass d#s Militardisciplinarrecht die leichteren Falie behandelt, für welche gelindere Strafen und einfacheres Verfahren angeordnet sind. Der Verfasser gelangt daher zu demselben Resultat, welches ich im meinen Staatsrecht dahin formulirt habe, dass die Disciplinarstrafordnung für das Heer und die Marine ein zweites MUitarstrafgesetzbuch sei, das gleichsam für leichtere Falie die Erganzung des eigentlichen bildet." Dit is „made in Gérmany", en zal daarom misschien gemakkelijker ingang vinden.

Wanneer ik nu nog heb .medegedeeld, dat ik met ontzaggelijk veel genoegen en volle instemming de woorden las van Mr. van Slooten: „Ik geloof dan oqk, dat de militaire tuchtrechter nooit goed zal. kunnen straffen, zoolang hij niets anders kan doen dan verwijzen naar de dufheid en de naargeestigheid van de strafcel" dan hoop ik, niet te veel van uw geduld te hebben gevergd.

De heer G. C. A. Fabius:

Mijnheer de Voorzitter!

Op dezen Juristendag, waar niet alleen juristen maar ook mannen van de praktijk aan het woord dienen te komen, gevoel ik mij alszoodanig verplicht, ook iets in het midden te brengen.

Voor een groot gedeelte kan ik mij vereenigen met de prae-adviezen; op enkele punten echter kom ik tot een andere conclusie en dit.geeft mij mede aanleiding, om enkele opmerkingen te maken.

Wanneer ik. als man van de praktijk uit de mobilisatiejaren, in het kort mijn oordeel mag weergeven, dan zou ik willen zeggen, dat de organisatie mij maar erg matig bevallen is.

Sluiten