Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i7e. De openbaarheid: deze heeft goed voldaan. 8e. Het recht op een verdediger. Dit recht heeft natuurlijk goed voldaan.

Een enkel woord echter over den verdediger bij de beklagzaken. Ik ben het te dien aanzien geheel eens met den geachten eersten prae-adviseur en met den 'generaal Koolemans Beynen. Als ergens een verdediger noodig is, dan is het wel in een beklagzaak, waar een ernstig conflict bestaat. Er is iemand, die zich onschuldig gevoelt, maar den schijn tegen zich heeft, en voor hem is de hulp van een verdediger nog veel meer noodig dan in tal van andere zaken.

9e. Het instituut van den burgerpresident.

Dit heeft, meen ik, in de bestaande omstandigheden uitstekend voldaan.

10e. De organisatie is zoo, dat er een president is met vier leden. Ik kan niet beoordeelen, of deze inrichting goed voldaan heeft, of dat het beter zou zijn geweest, gegeven het aantal beschikbare personen, een college van drie personen te hebben of wel den alleen rechtsprekenden rechter. Ik laat dit dus rusten.

11e. Ten slotte het element, dat de leden van den krijgsraad officieren zijn.

Op dit gebied neem ik een zeer eigenaardig standpunt in, omdat ik voor mij persoonlijk over de opleiding van officieren voor deze taak niet zoo slecht te spreken ben als de geachte prae-adviseurs.

Over den Hoofdcursus kan ik niet oordeelen, maar wel mag ik zeggen, dat ik de heerlijkste herinneringen heb aan mijn rechtsoplèiding aan de Koninklijke Militaire Acadamie, waar mijn leermeester was de thans gepensionneerde luitenant-generaal Kod&emans Beijrien, die ons zulke schoone ideeën over het recht en zulk een hoog denkbeeld van de taak, wélke wij later zouden hebben te vervullen, heeft ingeprent. Het is mij eene behoefte, hem op deze plaats een woord van dankbare hulde te brengen. Waar deze man een voorganger was, daar kan ik niet aannemen, dat het onderwijs aan de Koninklijke Militaire Academie in. latere jaren slechter zou zijn geworden. Integendeel, zij, die hem opgevolgd zijn, zullen het nog beter hebben kunnen doen.

Zou ik als object van mijn leermeester en van de opleidingsmethode niet zoo mogen spreken? Alle valsche nederigheid leidt tot niets en dus wil ik wel zeggen, dat ik in den loop der praktijk, met menschen van allerlei richting omgaande, mij zeiven heb getoetst aan oudere en jongere juristen en daarbij tot de overtuiging ben gekomen, dat ik. dank zij den grondslag aan de Koninklijke Militaire Academie gelegd, mijn taak heb kunnen vervullen.

Ik zal evenwel niet overgaan tot een retour offensief, maar wil toch vragen: wordt er met het jurist zijn niet wat al te veel geschermd? Is er zulk een verschil tusschen de opleiding in het strafrecht van juristen en van de officieren? Bestaat voor a.s. juristen niet de mogelijkheid, om eenvoudig dictaten te koopen en slechts voor zich zelf te vossen aan de hand van een repetitor?

I

Sluiten