Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik sprak laatst een vader, die voor /' 25 een dictaat op den kop bad getikt, en mij vertelde, dat zijn jongen, als hij nu nog maar wat met een repetitor werkte, wel klaar zou komen. Kan dan niet de kennis worden afgemeten met het gewicht van het getal bladzyden, dat men heeft moeten doorworstelen? Het komt toch niet neer op' het woord „jurist", maar op de manier, waarop de toegediende leerstof verwerkt is; of de spijs goed is verteerd, dan wel of men er constipatie van en ten slotte tegenzin in gekregen heeft.

Hoe dit alles echter zij, ik mqet. helaas constateeren, dat de rechtsstudie in den loop der tijden niet in de flank is gevallen bij de officieren. Dit feit valt niet mooi te praten. Ik noem het treurig, dat iemand, die tot lid van een krijgsraad wordt benoemd, niet alles gedaan heeft, om zaakkundig te zijn. Ik ben er helaas tegengekomen, die er zich niet zóó hadden ingewerkt, als zij hadden kunnen doen.

Doch hiervoor is wel een verklaring te vinden.

Ten eerste wijs ik er op, dat er iets geheimzinnigs gemaakt wordt van het begrip „jurist", zoodat een bescheiden officier zegt: dat is niets voor Pietje; daar zit te veel aan vast. Men moet daartegen de noodige energie en kracht bezitten en durven zeggen: dat kan Pietje ook wel.

Er wordt hierdoor een eigenaardige psyche geschapen.

Het omgekeerde is ook waar: over veel militaire dingen wordt zoo gewichtig gedaan, dat de niet-militairen zeggen, dat is niets voor ons.

Vervolgens heeft men in deze te maken met oude toestanden.

Toen ik jong officier was, hadden de officieren op dit alles in het geheel geen kijk. Het was een treurige toestand.

Toen had men de machtige auditeur-militair, de 7 leden waren er maar al te veel pro forma bij, om conform te knikken.

De bekende formule was steeds: den auditeur-militair gehoord.* Dat was schering en inslag, men was dan van de zaak af. ïït heb eens aan een jurist, die voor zijn promotie aan 't bijeenharken van stellingen was en met zijn hark bij mij kwam, als stelling opgegeven: „de bekende formule:' den auditeur-militair gehoord, moet in het belang der rechtspraak veranderen in: den auditeur-militair het zwijgen opgelegd".

Die oude toestand werkt nu nog na, om het militaire recht als iets „niet voor Pietje" te beschouwen.

En nu de bestaande wet. Die begint met den commandeerenden officier onmondig te verklaren. De hooge commandeerende officier heeft een voogd naast zich, die officier, waarvan Beynen — in de eerste plaats toch wel — zegt: „De soldaat moet in zijn meerdere, die in oorlogstijd het hoogste van hem moet eischen, zien den persoon, die geheel over hem beschikt, hem opvoedt, hem leidt, hem straft. Dit laatste vooral zal er veel toe bijdragen, om diens prestige te vermeerderen en zoo hoog mogelijk op te voeren. Dit acht ik uit een oogpunt van discipline de hoofdzaak".

Daarin zit dus volgens mijn geachten oud-leermeester de hoofd-

Sluiten