Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaak; want dat de burgers dat niet zoudè"n kunnen, neemt hij niet aan.

De garnizoenscommandant heeft altijd een voogd naast zich: de a uditeur-mil ita ir.

Men zou kunnen zeggen, dat volgens den geest van de wet de garnizoenscommandant eigenlijk de souverein is, maar een volkomen oonstitutioneele souverein. Hij kan niets zelfstandig doen;" hij teekent alleen, wat hem door den verantwoordelijken mani, den auditeur-militair, wordt voorgelegd.

Als de wet al begint met tot den commandeerenden officier te zeggen: ge zijt eigenlijk niets; dan spreekt het vanzelf, dat die wet begint met slapheid en gebrek aan groote belangstelling mogelijk te maken.

Nu vind ik het merkwaardig, dat de eerste prae-adviseur er misschien een heel klein beetje leedvermaak in schept, dat juist in die gevallen, waarin de garnizoenscommandant gezegd had: ik vervolg het toch, er niets van terecht gekomen is. Ik gevoel, dat juist in die gevallen het tuchtgevoel van den militairen chef, die voor zijne verantwoordelijkheid stond, de vervolging deed doorzetten.

Ik wil in dit verband hier nog eens wijzen op de theorie van Beynen: „De soldaat moet in zijn meerdere, die in oorlogstijd het hoogste van hem moet eischen, zien den persoon, die geheel over hem beschikt, hem opvoedt, hem leidt, hem straft enz."

Men houde het mij ten goede: het is zeer mooi in theorie, maar in de praktijk hebben wij het wel anders gezien.

De heer van Slooten heeft ook de vraag aangeroerd, of er moest zijn een militaire rechter of niet. Terecht wijst hij er op, dat er vroeger wel wat geweld is gedaan aan de begrippen, door uit te maken, dat de militaire rechtspraak geen leekenrechtspraak was, maar, zoo zegt hij: de leekenrechtspraak, die zoo weggegooid is, komt weder in de mode.

Ik. als niet-jurist, ben een vurig tegenstander van leekenrechtspraak. Mkar het komt mij voor, dat ook op dit gebied eenigszins met woorden gegoocheld wordt. Ik ben niet tegen een rechtspraak van niet-juristen maar ik ben te allen tijde tegen een rechtspraak van menschen, die leeken zijn in datgene, wat zij moeten beoor-

deelen. . . . , ,

Ik ben van meening, dat de offiersépleiding zoodanig ingericht zou kunnen worden, dat een officier, lid van deh krijgsraad wordende, voldoende op de hoogte zou kunnen zijn. Dan zou ik uit dien hoofde geen bezwaar hebben, om te zeggen: laten de officieren lid van den krijgsraad blijven, als het noodig is. Maar ik acht het niet noodig, ja zelfs ongewenscht. n - .«

Zoo even heb ik al gezegd, dat wij van die op zich zeli mooie theorie van Beijnen, die z. i. de grond vormt om het stelsel van de militaire rechtspraak- door officieren, in de praktijk niets gezien

hebben. n .

Nu is het merkwaardig, dat de tweede prae-adviseur, van zijn

Sluiten