Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stuurd naar de weermacht, om daar opgeleid -te'worden tot weerman. Hij doet dat, om te voldoen, zoo niet aan zijn hoogsten plicht, dan toch aan een van zijn hoogste plichten! als staatsburger. Is hij, wanneer hij bij ons komt krachtens dien hoogen plicht — zoo noodig — met de gewone kleine middelen van tucht niet tot een goed inzicht te brengen, maar pleegt hij ernstige vergrijpen tegen orde en tucht, dan moet ik tegen hem kunnen zeggen: het Volk heeft u hier gestuurd om uwe burgerschapsplichten te vervullen, gij schiet daarin ernstig te kort. Ik stuur u terug naar ons Volk en dat zal u verwijzen naar den rechter, die over u zal oordeelen.

Op die wijze zal de ethische grondslag van onze weermacht beter tot zijn recht komen. En voor ons officieren zal de taak mooier worden. Wij zullen dan beter 'worden erkend in onze taak als aanvoeders, opvoeders en voormannen van onze minderen.

Ik ben er bij geweest in den tijd, dat de generaals nog meer op inspectie gingen en dan bij de theorie ook vragen stelden, dat een inspecteerend generaal aan een milicien vroeg: wat is krijgstucht? Waarop deze na kort nadenken antwoordde: „krijgstucht is straffen, generaal".

Mutatis mutandis oordeelt het volk zoo over de weermacht.

Er zit iets onaangenaams in die klanken krijgstucht, krijgsraad, enz., iets minder prettigs voor het volk en dat krijgen wij officieren natuurlijk op onze rekening. Zoolang ik officier ben, ben ik altijd een vurig voorstander geweest van afschaffing van den militairen rechter en van' beperking van zijn taak tot die gevallen, waarin de buitengewone omstandigheden noodzaken, iemand te brengen voor een krijgsraad van officieren.

Waar de geachte eerste prae-adviseur op blz. 10 van zijn advies zegt, dat dê geschiedenis leert, dat de afschaffing van militaire rechtspraak pleegt vooraf te gaan aan den ondergang der weermacht, daar zou ik Mijnheer de Voorzitter er op willen wijzen, dat wij het in 1918 ook wel hebben waargenomen dat, laat ik zeggen: ondanks zeer sterk doorgevoerde militaire rechtspraak ontbinding kan intreden.

Op blz. 11 en 12 van het advies lees ik de aanhaling van Koolemans Beijnen: „ik zeg het den kapitein Collette na: indien zij ons het recht van straffen onzer soldaten ontnemen, laat hen dan ook in oorlogstijd het commando voeren". Het spijt mij, dat ik ten deze een lijnrecht tegenovergestelde meening ben toegedaan dan mijn hooggeachte oud-leermeester en dan de generaal Collette. Ik beroep mij daartoe o.a. op gevallen uit de burgermaatschappij.

Bij brand, oproer en dergelijke omstandigheden hebben burgemeesters het oppergezag en dezen hebben dan bevelen te geven, waarvan het ernstige karakter niet onderdoet voor dat van onze bevelen. Zoo staan brandmeesters, dijkgraven, spoorwegambtenaren e a er ongeveer evenzeer voor en toch kennen wij geen rechtbanken bestaande uit burgemeesters, brandmeesters en dergelijke personen. Neen, ook dezen geven de burgers, die hun staatsplicht met zijn

Sluiten