Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het wil mij voorkomen, dat men bij de uitoefening van critiek óp de militair-rechterlijke organisatie gedurende den mobilisatietijd voorzichtig moet zijn.

Men mag uit de verschillende feiten, welke toen aan den dag zijn getreden, geen conclusies trekken over het al of niet wenschelijke van de militaire rechtspraak in het algemeen. Ieder weet immers dat bij vertienvoudiging van den arbeid aan colleges die op denzelfden leest geschoeid blijven, niet te hooge eischen mogen gesteld worden. De krijgsraden moesten gedurende den mobilisatietijd roeien met de riemen die zij hadden.

Tusschen beide prae-adviseurs bestaat in één opzicht harmonie en wel voor zoover betreft hun oordeel over de minder goede wijze waarop het voor-onderzoek is geleid. Men hoede zich ten deze echter voor generaliseeren.

Ik erken, dat het voor-onderzoek nog al eeiis wat te wenschen heeft overgelaten, maar er waren toch ook zeer gunstige uitzonderingen, en ik verkeer niet onder den indruk, dat het zoo slecht was als de kritiek, welke daarop is uitgeoefend, te kennen gaf.

Dan moet men ook niet vergeten, dat de krijgsraden het toch zelf in de hand hebben om, als het voor-onderzoek niet goed is, dit euvel zooveel mogelijk te neutraliseeren.

In de eerste plaats geeft art. 168 E. L. het door onzen krijgsraad vaak gebezigde middel om onder terugzending van stukken de zaken nader te doen instrueeren; bovendien bezit de krijgsraad in het getuigenverhoor ter terechtzitting een afdoend middel om leemten, welke zouden kunnen blijken te bestaan in het voor-onderzoek, aan te vullen. Ik beschouw het dan ook als den plicht van iedereu goeden president om te zorgen dat dat gebeurt.

Mijnheer de Voorzitter. Toen wij vóór' ongeveer 6 jaren bijeenkwamen in het gebouw van het Hoog Militair Gerechtshof om daalden eed af te leggen, heeft de toenmalige president, Mr. van Bolhuis, dien wij het genoegen hebben ook hier weder in ons midden aanIwezig te zien, ons de vaderlijke vermaning medegegeven: weest nu toch niet te karig in het oproepen van getuigen.

Ik heb getracht dien raad op te volgen. En al ben ik het volkomen ' eens met den geachten hoofdredacteur van het Weekblad van het Recht, als deze in zijn hoofdartikel over deze aangelegenheid opmerkt, dat bij gebrekkig voor-onderzoek, gevolgd door een onvolledig, onvoldoend eindonderzoek, het strafgeding niet veel meer wordt dan een dobbelspel; toch wensch ik, om verkeerde gevolgtrekkingen te voorkomen, er onmiddellijk bij te voegen, dat van een dergelijk gebrekkig onderzoek bij den krijgsraad, waarvan ik de eer- heb president te zijn, zelfs in de verste verte geen sprake geweest is. Steeds wanneer er maar de minste twijfel bestond, Werden er getuigen gehoord. Daardoor is het werk zeer toegenomen. Gedurende maanden en maanden werden er wekelijks niet 2' zittingen gehouden zooals te Arnhem maar 3, 4 en 5.

Intusschen vlei ik mij met de hoop, dat dat meerdere werk ge-

Sluiten