Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch wie zegt me, dat dergehjke maatregelen niet genomen zijn? Mochten we in oorlog zijn geraakt, en waren dan geen krijgsraden te velde ingesteld geworden, eerst dan zou van een „manco" van de Regeering sprake kunnen zijn'.

Toen nu door de omstandigheden een groot deel van het veldleger in Brabant, Limburg en Zeeland werd ondergebracht, werden de noordelijke audities eenigszins in hun arbeid verlicht en kwam die meerdere druk neer op de auditie te 's Bosch, die derhalve dus 't meest daarvan te lijden kreeg. Daardoor werd — en hierop wijst Mr. de Boer terecht in zijn prae-advies, blz. 47 — in dien krijgsraad een verdeeljng doorgevoerd van 3 kamers. Ik vraag mij dus af, is dat dan niet gedaan bij de andere audities, en zoo niet, waarom? Op die wnze zoude dus het aantal der auditiën verdrievoudigd of meer kunnen worden en zouden er dus in totaal meer krijgsraden zijn geweest dan, zooals Mr. de Boer ten voorbeeld aangeeft, er in Zwitserland gedurende den mobilisatietijd zijn ingesteld.

Dat er overal hard gewerkt is, beide Heeren hebben het met cijfers aangetoond, en dat wenschte ik hier in Uwe Vergadering nog eens te releveeren en hen, die aangewezen zijn, en die zkh beschikbaar stelden een eeresaluut te brengen. Ik mag dat doen als buitenstaander, omdat ik eerst in Mei 1919 ben werkzaam gesteld.

Op blz. 18, 22 en 32 worden door beide Heeren statistische gegevens verstrekt omtrent het ontzettend aantal strafzaken, dat is afgewerkt. Doch ik heb altijd geleerd, dat men bij het uitwerken van statistische gegevens voorzichtig moet zijn. Door beide Heeren worden conclusies getrokken, waarnaast ik ook wel andere zoude kunnen stellen. Waar b.v. op blz. 18 het groot aantal vrijspraken geweten wordt aan de militaire — dus niet geheel juridische — organisatie van de krijgsraden, zou m i. alleen een dergelijke conclusie getrokken mogen worden, indien eene vergelijking werd gemaakt met eenzelfde aantal vrijspraken met bijbehoorende aantal zaken, door de burgerlijke rechtbanken berecht. Eerst dan zou van eene conclusie kracht kunnen uitgaan. Vooral, omdat Mr. van slooten op blz. 25 zelf aanhaalt: „Juridische fouten zijn er niet noemenswaardig gemaakt".

En waar Mr. de Boer het aantal behandelde zaken van den krijgsraad te Arnhem (3227) in 1918 vergelijkt met het aantal in hetzelfde jaar van de Utrechtsche rechtbank (1641) en daaruit zijn conclusie trekt, daaruit volgt m.i. logisch, om de leden van dién krijgsraad te feliciteeren met den arbeid, dien zij hebben verricht. Dat Mr. de Boer voor dien gepraesteerden „reuzenarbeid" — volgens de tegenwoordige terminologie — eene bezoldiging van ƒ6.— (later f 7.—) te weinig vindt, voorzeker zullen alle leden van de krijgsraden hem dankbaar zijn, indien hij daardoor hoogerhand zou kunnen overhalen, — nu overal zooveel duurtetoeslag is verstrekt — dat hen een douceurtje, desnoods met St. Nicolaas, werd thuis gestuurd. Ik ben ervan overtuigd, dat dit door vele leden heel dankbaar zou worden aanvaard.

Sluiten